INHOUDSOPGAVE F
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

F.A.C.E.S.

FACT-FINDING MISSION

FAL

FALL-OUT

FASCINES

FASTROPING

FAULT LINE CONFLICT

FENNEK LVB

FH70

FIELD TRAINING EXERCISE (FTX)

FILLER

FILLGUN

FINAL EXERCISE REPORT

FINAL FIRING POSITION

FINAL RENDEZ-VOUS

FIND

FIRING CLOSE REPORT

FIRST IMPRESSION REPORT

FIX

FLANK

FLANKAANVAL

FLANKBEVEILIGING

FLANKEERVUUR

FLARES

FLASH-BALL

FLASH-BANG

FLASHCARD

FLATRACK

FLIGHT

FLIGHT NURSE

FM-12 (CBRN-MASKER)

FM9000

F.O.D.

FOG OF WAR

FOLLOW-ON FORCE

FOLLOW-ON FORCES ATTACK

F.O.M.E.C.B.L.O.T.

FOOTPRINT

FORCE ACCEPTANCE

FORCE GENERATION

FORCE MULTIPLIER

FORCE PROTECTION

FORCES OF LOWER READINESS (FLR)

FORMATIE (VERPLAATSINGEN TE VOET)

FORT VECHTEN

FORWARD AIR CONTROLLER (FAC'ER)

FORWARD ARMING AND REFUELLING POINT

FORWARD OPERATING BASE

FOSFOR

FOSGEEN

FRAGGING

FRAGMENTATION ORDER (FRAGO)

FRANK VAN BIJNENKAZERNE

FREEDOM OF MOVEMENT

FREE LION

FRICTIE

FRIENDLY FIRE

FRIESE RUITER

FRONT

F.R.O.S.T.

F.U.B.A.R.

FUCHS ALGEMEEN

FUCHS CBRN-VERKENNINGSVOERTUIG

FUCHS PEILSTATION EOV

FUCHS STOORSTATION EOV

FUCO

FULDA GAP

FULLCOM

FULLER, JOHN FREDERICK CHARLES

FUNCTIECLUSTER

FUNCTIETEKENS OP PELOTONSNIVEAU

FUSILLEREN

FX

FYSIEKE DISTRIBUTIE

FYSIEKE INZETBAARHEIDS TEST

 

F.A.C.E.S.

De uitvoerbaarheid van een zelf ontwikkelde eigen mogelijkheid (EM) kan worden uitgesloten of bevestigd aan de hand van de criteria uit het ezelsbruggetje FACES.

De eigen mogelijkheid (course of action, COA) volgt (onder andere) uit de consequenties van de analyse van de opdracht, zoals opgelegde beperkingen en mogelijkheden; de oogmerken van de twee naasthogere commandanten (1UP en 2UP); en zelf vastgestelde keuzecriteria, waarbij gebruik is gemaakt van eigen kennis en ervaring en die van de eenheid.

Altijd wordt rekening gehouden met:

► ethische aspecten (EBM);

functies van militair optreden

grondbeginselen van militair optreden

► juridische aspecten (SOFA, MOU, mandaat, ROE, aide-mťmoire, geweldsinstructie);

► kerntaken van het gevecht (find, fix, strike, exploit);

► operationeel raamwerk bij irregulier/asymmetrisch optreden (shaping, decisive, sustain) of bij regulier/symmetrisch optreden (deep, close, rear).

De eigen mogelijkheid moet zijn:

F

Feasible

Uitvoerbaar

Heeft de EM, binnen de vastgestelde tijd- en ruimtefactoren en beschikbare middelen, enige kans van slagen. Onder welke voorwaarden zal de EM moeten worden gestaakt?

A

Acceptable

Acceptabel

Weegt het resultaat op tegen de te leveren inspanningen (inzet van middelen, risico's); kosten-batenanalyse.

C

Complete

Compleet

De EM moet antwoord geven op de W5H-vragen: wie doet, wat, waarom, waar, wanneer en waarmee.

E

Exclusive

Onderscheidend

Onderscheidt de EM zich van de andere EM'n?
EM'n verschillen in ťťn of meer van de volgende aspecten: formatie, groepering, manoeuvrevorm, zwaartepunt of fasering.
Bij een andere fase vindt een verandering binnen de groepering of formatie, aanvals- of verplaatsingsrichting of in het zwaartepunt plaats, dan wel wordt overgegaan op een andere manoeuvrevorm.

S

Suitable

Geschikt

Leidt de EM tot het oplossen van het gestelde probleem en/of het realiseren van het opgedragen doel.

Zie ook: aide-memoire, eigen mogelijkheid (EM), ethisch bewustwordingsmodel (EBM), functies van militair optreden, geweldsinstructie, grondbeginselen van militair optreden, mandaat, Memorandum of Understanding (MOU), Rules of Engagement (ROE) en Status of Forces Agreement (SOFA).

Terug naar Boven

 

FACT-FINDING MISSION

Afgekort: FFM. Letterlijk: feitenonderzoeksmissie. Missie bedoeld om feitenmateriaal te verzamelen en te onderzoeken. Een FFM wordt met name uitgevoerd wanneer rampen hebben plaatsgevonden of wanneer de locaties in het gebied van een (mogelijke) missie worden verkend.

Een kleine stafgroep van militairen reist vooruit om lokale/regionale problematiek en situational awareness zo objectief mogelijk in kaart te brengen en eventueel de missie in gang te zetten. De te velde verkregen feiten van de FFM zijn bepalend voor het al dan niet uitvoeren van een (humanitaire) hulpverleningsmissie dan wel aanvullende behoeften en benodigdheden voor een missie.

Zie ook: medical fact-finding mission.

Terug naar Boven

 

FAHREN, FUNKEN, SCHIEŖEN

 

De Duitse generaal Heinz Guderian is de vader van de quote "Fahren, funken, schieŖen".

Terug naar Boven

 

FAILED STATE

Duits: Gescheiterter Staat. Frans: ťtat en dťliquescence; ťtat en echec. Nederlands: mislukte, tekortschietende staat. Niet te verwarren met Rogue State of Fragile State.

De term ontstond in het begin van de jaren '90 van de 20ste eeuw. Staat waarin een functionerende centrale overheid ontbreekt of wankel in het zadel zit – en daarom geen of weinig controle heeft over het eigen grondgebied. In dit geval kan de staat niet langer voorzien in basale diensten en voorzieningen voor haar bevolking, zoals in- en externe veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs, stort de economie in en verslechtert in hoog tempo de infrastructuur.

De factor is het meest fundamenteel kenmerk van de failed state het niet meer kunnen voorzien in veiligheid (verlies van de zwaardmacht). Als gevolg hiervan wordt het machtsvacuŁm gemakkelijk opgevuld door verzetsbewegingen, strijdgroepen, milities, krijgsheren en/of crimineel getinte organisaties.

Een van de elementen van de definitie van het begrip ‘staat’ – in het Verdrag van Montevideo (Convention on Rights and Duties of States, artikel 1, 26 december 1933) – betreft de vraag of er sprake is van een regering die gezag uitoefent over haar grondgebied: “The state as a person of international law should possess the following qualifications: a] a permanent population; b] a defined territory; c] government; and d] capacity to enter into relations with the other states.”

Jaarlijks wordt de Failed States Index – een ranglijst van failed states – gepubliceerd door The Fund for Peace (FFP), een Amerikaanse (onafhankelijke, niet-partijgebonden, non-profit onderzoeks- en educatieve) organisatie met als doelstelling gewelddadige conflicten voorkomen en duurzame veiligheid bevorderen.

Failing versus Failed States

Etymologisch en politiek schuilen in de Failed States Index risicos.

Het taalkundige onderscheid tussen “a failing or failed state” (“een falende of mislukte staat”) is groot. In het eerste geval is het verval gaande, in het laatste geval een voldongen feit.

Daarnaast is er de politieke gevoeligheid: de index kan andere landen carte blanche geven om acties te ondernemen, ook militaire, op het grondgebied van de failed state.

Tot slot wijzen sommige failed states op de stigma's en willekeur die aan de rangschikking ten grondslag zou kunnen liggen.

De Failed States Index is gebaseerd op twaalf sociale, economische en politieke/militaire indicatoren volgens de methodologie van de door de FFP zelf ontwikkelde Conflict Assessment System Tool (CAST). CAST meet en beoordeelt wanneer een (kwetsbare) staat, in preconflict-, actieve conflict- en postconflictsituaties, het risico loopt te falen:

Sociale indicatoren:

Demografische druk

Vluchtelingen en/of ontheemden

Grieven of angst binnen/tussen bevolkingsgroepen

Uittocht van mensen, incl. braindrain

Economische indicatoren:

Ongelijke economische ontwikkeling over de bevolkingsgroepen

Economische terugval en armoede

Politieke/Militaire indicatoren:

Rechtsbasis (legitimiteit) van de staat

Overheidsdiensten (publieke diensten)

Mensenrechten en rechtsregels

Veiligheidssector

Segregatie van elites

Interventie van andere staten of externe politieke actoren

De Failed States Index betreft met name de strook landen die van westelijk Afrika, via het Grote Merengebied en de Hoorn van Afrika, door Irak en Jemen naar Pakistan, Afghanistan, Myanmar (voorheen Birma), Sri Lanka en Nepal loopt.

Zie ook: fragiele staat.

Terug naar Boven

 

FAL

Voluit: Fusil Automatique Lťger. Het licht automatisch geweer FAL is vanaf 1953 geproduceerd door de Fabrique National (FN) de Herstal in BelgiŽ. Het ontwerp is van Dieudonne Saive en Ernest Vervier (1947-'53), waarna het wapen is beproefd in de koude van Alaska en de moerassen van Panama.

Bij de Koninklijke Landmacht stroomde het wapen vanaf 1961 binnen, evenals in ruim zeventig andere landen, waaronder AustraliŽ, BraziliŽ, Groot-BrittanniŽ, IsraŽl en Zuid-Afrika; in zeker tien landen is het wapen in licentie gefabriceerd.

Op de FAL konden een infraroodkijker en een bajonet worden geplaatst en er konden geweergranaten mee worden verschoten.
Het wapen is eind 20ste eeuw binnen de KL vervangen door de Diemaco, die een hogere vuursnelheid en minder terugslag heeft en beter hanteerbaar is en gemakkelijker schoon te maken.

capaciteit patroonmagazijn 20 of 30 patronen

dracht, maximaal effectieve

500 meter

gewicht patroonmagazijn

250 gram

gewicht zonder patroonmagazijn

4,45 kg

kaliber

7.62 x 51 mm NATO

lengte

110 cm

lengte loop

53 cm

vuursnelheid

650 patronen per minuut (20 schoten in 9 seconden)

werkingsmechanisme

gasdruk

Wapenoefening met de FAL op de KMS in Weert.

Zie ook: Armalite infanteriegeweer kaliber 7.62 NATO AR-10.

Terug naar Boven

 

FALL-OUT

Radioactieve neerslag. Het terugvallen van radioactieve deeltjes uit de explosiewolk van een atoom- of kernbom door verspreiding vanuit de hogere luchtlagen naar het aardoppervlak, die met name optreedt bij explosies waarbij de vuurbol het maaiveld raakt. Daarbij worden grote hoeveelheden bodemmateriaal met de vuurbol omhoog gezogen, waardoor de voor een maaiveldexplosie typerende donkere paddenstoelvormige wolk met stam ontstaat. In die wolk en stam wordt het bodemmateriaal radioactief.

Fall-out bestaat uit splijtingsproducten van de explosie zelf, radioactief geworden stof dat door de explosie omhoog is gezogen en niet-verspleten radioactief materiaal. De hoeveelheid fall-out hangt af van de hoogte van de explosie, de samenstelling van de aarde, het wapenvermogen en de weersomstandigheden. Luchtexplosies, herkenbaar aan de witte paddenstoelvormige wolk, veroorzaken veel minder fall-out dan een maaiveldexplosie.

Hoe hoger het explosiepunt, des te minder materiaal omhoog wordt gezogen en hoe verder de radioactieve deeltjes worden verspreid. Het gevaar van de fall-out is dan veel minder dan bij een explosie op het aardoppervlak, waarbij een zeer ernstige besmetting met fall-out optreedt.

De terugval vindt plaats in de minuten tot dagen na een kernexplosie: vroege fall-out bereikt binnen 24 uur na de explosie het maaiveld, late fall-out hierna. Vroege fall-out van lage lucht-, maaiveld- of ondergrondse explosies kan een groot gebied met radioactief materiaal besmetten en een direct biologisch gevaar inhouden. Late fall-out bestaat uit zeer fijne stofdeeltjes die in lage concentraties over een groot deel van het aardoppervlak worden verspreid; late fall-out zorgt met name voor een risico op lange termijn.

Door fall-out ontstaat besmetting van personeel, materieel en terreindelen. In met fall-out besmette gebieden (fall-out gebied) komt daarom nablijvende kernstraling voor, die direct stralingsgevaar oplevert. dan is vaststelling van de hoeveelheid stralingsbelasting een vereiste bij wie is blootgesteld aan en besmet door straling. Dit geldt zeker wanneer in die gebieden werkzaamheden moeten worden verricht. De belangrijkste besmettingsvormen zijn:

drinkwaterbesmetting

luchtbesmetting

radioactieve gassen of deeltjes

oppervlaktebesmetting

huid, kleding, materieel, omgeving

Omdat stralingsziekte de slachtofferbehandeling bemoeilijkt, zijn maatregelen ter beperking van de stralingsbelasting van het personeel én in het kader van de besmettingsbeheersing noodzakelijk.

Het risico als gevolg  van het opereren in een met fall-out besmet gebied, is afhankelijk van het door fall-out veroorzaakte dosistempo, de stralingssoort en de wijze van besmetting – die uiteindelijk de opgelopen dosis per individu bepalen. Het beperken van de stralingsbelasting wordt bereikt door gebruik te maken van afscherming of door het verblijf in een fall-outgebied tot een minimum terug te brengen. Een dosisregistratiesysteem met persoonlijke dosismeters geeft inzicht met betrekking tot de toestand van de eigen troepen.

Na een kernwapenexplosie maakt de CBRN-kern van de eenheid een fall-out voorspelling en laat radiologische verkenningen uitvoeren ter onderkenning van fall-out. Zo ja, dan wordt gealarmeerd door het roepen van “Fall-out, fall-out, fall-out”.
In een fall-out-gebied wordt het binnendringen van fall-out in het lichaam – en dus stralingsziekte - voorkomen door het nemen van de persoonlijke beschermingsmaatregelen:

►gebruik maken van aanwezige dekkingen met een goede afscherming

►voorkomen van stofontwikkeling

►voorkomen van onnodig contact met besmette grond, begroeiing en materieel

►verbinden van open wonden (ZHKH)

►stofdicht afsluiten van de CBRN-kleding, capuchon op en handschoenen aan

►niet eten en drinken zonder toestemming

►aanbrengen van ademwegbescherming, bij voorkeur een stofmasker en in opdracht het CBRN-masker

In het geval besmetting met fall-out is vastgesteld, moet de persoonlijke ontsmetting ter hand worden genomen. Bij fall-out staat ontsmetten gelijk aan verplaatsen: zodra de fall-out nauwgezet van het besmette object is verwijderd, is het object stralingsvrij.
De persoonlijke ontsmetting bestaat uit:

►wassen of afvegen van besmette lichaamsdelen (haren, huidplooien, nagels, oorschelpen)

►voorkomen van het inademen van fall-out (afschermen ademhalingsweg: stofmasker of CBRN-masker)

►verwijderen van fall-out uit de onmiddellijke omgeving (afgraven, wegvegen)

►uitkloppen, afvegen of afborstelen van besmette kleding en uitrusting (natte kleding en uitrusting eerst laten drogen)

►afwassen van natte uitrustingsstukken met een glad oppervlak

Terug naar Boven

 

FASCINES

Van het Latijn “fascis” (“bundel”). In de 17de eeuw ontstaan fenomeen, oorspronkelijk als een bundel takken of rijshout ter bekleding en versteviging van aarden verdedigingswerken. Later werden fascines ook toegepast voor het opvullen van geulen of sloten.

Fascines gebundeld op een aanhangwagen.

Sinds de Eerste Wereldoorlog is de term ‘fascine' vooral geassocieerd met fascine-tanks. Deze tanks legden een cilindrische bundel van rondhout om loopgraven, sloten e.d. op te vullen, zodat andere voertuigen er overheen konden rijden of om op bepaalde plaatsen een aanval tegen te houden door het opwerpen van een kunstmatige hindernis. Dezelfde bundels werden ook gebruikt voor het creŽren van verschansingen of revêtements (bekledingen) voor rivierbanken of vestingwerken, en in het aanleggen van matten voor dammen, pieren e.d.

Lancering van fascines door een daartoe op geÔmproviseerde wijze aangepaste Leopard-genietank.

Met de fascines die de pantsergenie-eenheden tegenwoordig binnen de Koninklijke Landmacht ter beschikking hebben, kunnen overspanningen met een maximale diepte van 3 meter en een maximale breedte van 10,5 meter worden gemaakt. Feitelijk is het gebruik van fascines nog hetzelfde als in de voorbijgaande eeuwen. In de moderne oorlogvoering worden fascines met name gebruikt om tankgrachten - bijvoorbeeld zoals hindernis 10 op de hindernisbaan - te dempen en kleine terreininsnijdingen te passeren, zodat andere voertuigen er overheen kunnen rijden.

Terug naar Boven

 

FASTROPING

Afdaaltechniek uit een helikopter, die sneller is dan abseiling (heli-rappŤl).

De techniek is ontwikkeld door de Amerikanen in de jaren '80 in de 20e eeuw.

Langs een swarming-rope daalt het personeel af uit de hoverende helikopter.

De swarming-rope is een 40 mm dik, speciaal touw dat uit een of meer van de uitgangen van de helikopter wordt geworpen (respectievelijk single- of multipoint).

Op borsthoogte, net onder de kin, wordt de swarming rope in beide handen geklemd met een draai; de klemkracht van de handen bepaalt de daalsnelheid langs het touw. De iets gebogen knieŽn, die de schok van de landing opvangen, en de voeten dienen bij het fastropen als rem.

Meerdere militairen tegelijkertijd kunnen aan een swarming-rope afdalen, mits er voldoende tussenruimte is. Hierbij worden speciale handschoenen gedragen, gemaakt van aramide en kevlar.

Fastroping kan worden toegepast op locaties waar een helikopter niet kan landen, bijvoorbeeld in de jungle, bij Optreden in Verstedelijkte Gebieden of bij het boarden van schepen.

Fastroping van Nederlandse eenheden, Special Forces en overige (luchtmobiele) infanteristen, vindt plaats vanaf een hoogte van maximaal 20 meter (65 voet).

Voordeel van fastroping is de snelheid waarmee personeel, eventueel met lichte uitrusting en kleinkaliberwapens, kan uitstijgen; nadeel is de blessuregevoeligheid van benen, enkels, knieŽn, rug en voeten.

De Koninklijke Landmacht kent de Helicopter Abseil & Roping Course (HARC), waar onder andere fastroping wordt aangeleerd.

Zie ook: abseiling (heli-rappŤl), infanterie, jungletraining, kleinkaliberwapens (kkw) en optreden in verstedelijkte gebieden (OVG).

Terug naar Boven

 

FAULT LINE CONFLICT

Engelse term. Letterlijk: ondubbelzinnig conflict. Conflict tussen staten en groepen van verschillende 'botsende beschavingen' in een multipolaire wereld: een wereld  waarin verschillende grootmachten van vergelijkbare sterkte met elkaar samenwerken en concurreren tegelijkertijd.

De term is afkomstig uit het boek ‘The Clash of Civilizations and Remaking of World Order’ (1996) van Samuel P. Huntington.

De visie van Harvard-professor en politiek wetenschapper Huntington doet een poging om na het einde van de Koude Oorlog nieuwe vijanden te vinden. Zijn theorie gaat ervan uit dat culturele en religieuze identiteiten de primaire bron van conflicten in de wereld na de Koude Oorlog zijn.

Huntington, die met name China en de islamitische wereld – “Fault line conflicts are particularly prevalent between Muslims and non-Muslims” – als nieuwe vijanden ziet, voorspelt in zijn boek bloedige botsingen tussen de islamitische en westerse wereld.

◄ 'The Clash of Civilizations and Remaking of World Order' - Samuel P. Huntington, ISBN 9781451628975.

Zie ook: Koude Oorlog.

Terug naar Boven

 

FEEDBACK

Synoniem: terugkoppeling.

Feedback is een evaluerende reactie achteraf. Feedback speelt een belangrijke rol in het bestendigen dan wel bevorderen van gewenst gedrag; daarom is het alleen zinvol om feedback te geven op gedrag dat iemand kan en wil veranderen (E = K x A).

Feedback is een uitwisseling van informatie waarin wordt aangegeven welk feitelijk gedrag (en/of attitude) bij de ander is waargenomen en of de gezonden boodschap is ontvangen. De ander krijgt hiermee de kans om zijn handelen kritisch onder de loep te nemen en in het vervolg te verbeteren.

Feedback wordt vanuit jezelf ("Ik bertrek het op mezelf...") gegeven, gebaseerd op waargenomen feitelijk gedrag (OFGA) en zonder een (waarde)oordeel te vellen.

Voor de onderofficier (instructeur/leidinggevende) zijn het geven en ontvangen van feedback belangrijke vaardigheden. De effectiviteit van feedback hangt nauw samen met hoe feedback wordt ontvangen; de acceptatie van de ontvanger (E = K x A); en het (kunnen) inspelen op de non-verbale en paraverbale aspecten van communicatie.

Als op de juiste wijze het effect van waargenomen gedrag wordt gecommuniceerd, kan de verstandhouding met de ander verbeteren.

Feedback bevordert het leervermogen; de kennis van de ander; werkresultaten, -relaties en -sfeer. Goede feedback resulteert in het beter luisteren ('actief luisteren') naar en alert zijn op de reactie van de ander. Daarnaast kan goede feedback de feitelijk waargenomen mis(ver)standen in communicatie aan de kaak stellen.

Een ezelsbruggetje voor het geven en ontvangen van feedback is 4G:

Gedrag

Welk gedrag heeft u bij de ander waargenomen?

Feitelijk gedrag, zo specifiek en concreet mogelijk.

Gevoel

Welk gevoel roept dat bij u op?

Het effect dat het gedrag op de waarnemer (lerenden) heeft.

Gevolg

Wat is het gevolg hiervan?

Het gevolg van zijn gedrag op de waarnemer (cursisten, leerlingen).

Gewenst

Op welke manier kan de ander zijn gedrag veranderen?

Laat de ander zelf aangeven hoe zijn gedrag kan veranderen zodat het effect van zijn handelen verbetert. Of vertel de ander, altijd op een positieve manier, wat hij in zijn gedrag kan veranderen. Maak eventueel afspraken.

Zie ook: hamburgermethode (sandwichmethode).

Terug naar Boven

 

FENNEK LVB

Letterlijk: woestijnvos (nachtdier dat leeft in de woestijngebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten).

Het Licht Verkennings- en Bewakingsvoertuig (LVB) is een verkenningsvoertuig van de nieuwste generatie, ter vervanging van de M113 C&V en het Landrover-verkenningsvoertuig.

De YPR-765 is alle tussenliggende jaren, alleen uit kostenoverwegingen, een interim-oplossing geweest.

De Fennek LVB, zoals gefotografeerd tijdens de Landmachtdagen 2006.

De Fennek is aangekocht ten behoeve van de verkenningseenheden, die in algemene zin lichter bewapend zijn dan de reguliere gevechtseenheden.

De Fennek is gťťn troepentransportmiddel in de zin van een 'battle taxi'. De hoofdtaak van verkenningseenheden is het onzichtbaar verzamelen van gevechtsinlichtingen in de voorste linies zonder daarbij zelf ontdekt te worden door vijandelijke eenheden.

De Fennek is een multifunctioneel en ultramodern licht verkenningsvoertuig, voorzien van hightech-middelen, dat geschikt is voor inzet tijdens alle soorten operaties. Dankzij het lage silhouet, de goede terreineigenschappen en het geringe geluidsniveau kan met de Fennek onder vrijwel alle omstandigheden ongehoord en ongezien worden geopereerd.

De verkenningseenheden zijn de Brigade Verkennings Eskadrons (BVE's) en de Tactical Air Control Parties van de gemechaniseerde brigades. De bemanning bestaat uit drie personen: commandant, chauffeur en schutter/verkenner.

Het is de bedoeling dat de eenheden met twee voertuigen paarsgewijs zullen optreden. Met de komst van de Fennek is het verkennen weer terug bij af: daadwerkelijk niet-voertuigafhankelijk optreden.

◄ De Fennek zoals die rondreed in Uruzgan.

Een verkenningseenheid uitgerust met de Fennek is in staat zijn om zelfstandig en onafhankelijk over een tijdsspanne van vijf dagen te kunnen optreden. Het compartiment van de bemanning biedt de inzittenden bescherming tegen AP-mijnen. Verder is in airconditioning voorzien met een geÔntegreerd NBC-beschermingssysteem.

Het pantser biedt bescherming tegen 7,62 mm antipersoneels-munitie; indien nodig kan aanvullend pantser worden toegepast. Het infraroodsignatuur van het voertuig is verlaagd door de uitlaatgassen gekoeld en verspreid af te voeren.

De Fennek beschikt over een goede terreinvaardigheid. Met bijschakeling van de voorwielaandrijving is het voertuig een prima Four Wheel Drive; voor een nog betere terreinvaardigheid in zwaar terrein, beschikt de Fennek over een automatische bandendrukregelinstallatie.

Ook beschikt de Fennek over een laserafstandsmeter, CCD-camera, warmtebeeldkijker en een Battlefield Management System (BMS): een landnavigatiesysteem met Global Positioning System (GPS) en lange-afstandsverbindingsmiddelen.

Specificaties:

bemanning 3 personen (commandant, bestuurder, systeembedienaar)

bereik in het terrein

400 km

bereik op de weg

± 850 km

bewapening

mitrailleur .50 M2 QCB

breedte

2 meter 55

waaddiepte

1 meter

draaicirkel

12 meter 60

gewicht gevechtsklaar

10.350 kg

lengte

5 meter 58

maximale hoogte

2 meter 29

maximumsnelheid achteruit

23 km per uur

maximumsnelheid vooruit

115 km per uur

minimale hoogte

1 meter 79

motor

5,7 cilinder diesel

motorvermogen

177 kW (240 pk)

In 1993-'94 kwamen Nederland en Duitsland gezamenlijk tot een voertuigconcept. Op 21 december 2001 is het seriecontract getekend met het industriŽle samenwerkingsverband (ARGE) het Duitse Krauss-Maffei Wegmann (KMW) en het Nederlandse SP Aerospace & Vehicle Systems, waarna de Fennek uiteindelijk is geproduceerd door Dutch Defence Vehicles (DDVS), een dochteronderneming van het Duitse Kraus-Maffei-Wegman (KMW). De roll out van de Fennek vond plaats op 2 juli 2003. De verdeling van de Fenneks voor de Koninklijke Landmacht is als volgt:

130 stuks Medium Range Anti-Tank

202 stuks

Verkenning en bewaking

78 stuks Algemene Dienst (AD)

 

 

BAA-module

BAA staat voor "Beobachtungs- und Aufklšrungs Ausstattung": de waarnemings- en verkenningsuitrusting van de woestijnvos.

De uitschuifbare mast fungeert als een periscoop met een warmtebeeldcamera en een laserafstandsmeter (LAM).

Hiermee kunnen doelen op grote afstand worden opgespoord. Inactief bevindt de BAA-module zich ‘onder pantser’. De module kan, elektronisch, via een mast worden opgericht tot maximaal 1,5 meter boven het voertuig, d.w.z. bijna 4 meter boven het maaiveld.

Bij uitgestegen optreden kan de BAA worden uitgebouwd en geplaatst op een driepootstatief.

Duitse Fennek met BAA-module.

De Ford Lynx Scout Car was een lichtgewicht verkenningsvoertuig van Canadese makelij. Als opvolger van de Britse Daimler Dingo is het voertuig, na de Tweede Wereldoorlog, ook in Nederlandse dienst geweest. Hierbij is het van 1945-'50 ingezet in Nederlands-IndiŽ.

In Nederland is de 5-tonner onder andere te bewonderen in de collectie van het Cavaleriemuseum in Amersfoort. Feitelijk is de Ford Lynx Scout Car een verre voorouder van de in 2003 ingevoerde Fennek.

(© foto: ACOM Journaal, nummer 9, september 2006)

Het Stinger Weapon Platform-Medium (SWP-M) op de Fennek LVB.

Stinger Weapon Platform-Medium

Een speciale uitvoering van de Fennek is het Stinger Weapon Platform-Medium (SWP-M), dat medio 2007 gefaseerd is ingestroomd bij 11 Luchtverdedigingsbatterij ‘Kaimana’ en 13 Luchtverdedigingsbatterij ‘Ypenburg’, beiden ingedeeld bij het Commando Luchtdoelartillerie (CoLua).

De Stinger-eenheden krijgen doelinformatie van de Telefunken Radar Mobil Luftraumüberwachung (TRML) van 12 Luchtverdedigingsbatterij.

Het SWP-M is ontwikkeld om luchtverdedigingsopdrachten uit te voeren ter bescherming van manoeuvre-eenheden en statische objecten.

De Stinger-launchers aan beide zijden van de toren zijn nagenoeg gelijktijdig te bedienen. In totaal voert elke Fennek acht (8) Stinger-raketten mee. Twee bemanningen van elk drie personen (commandant, schutter en chauffeur) maken 24/7 optreden mogelijk.

De luchtverdedigingsversie van de Fennek, met volledig geÔntegreerd Stinger Launching System (SLS), is geschikt voor de (zeer) lage luchtlagen.

Zie ook: brigadeverkenningseskadron, grondgebonden verkenningseenheid en ISTAR.

Terug naar Boven

 

FH70

Voluit: Feldhaubitze 70. De FH70 is een gezamenlijk Duits-Brits-Itialiaans ontwerp (Vickers Ltd., Rheinmetall en OTO Melara - in het kader van het Eurosched-project).

Het is een getrokken houwitser, kaliber 155 mm, met een kleine benzinemotor voor het afleggen van korte afstanden om zelfstandig in stelling te komen en in noodgevallen.

De FH-70 is in 1978 in de bewapening van de Bundeswehr gekomen (126 stukken). In 1990 nam Nederland vijftien overtollige exemplaren van Duitsland over om het personeel van de artillerie de Koninklijke Landmacht op getrokken vuurmonden geoefend te houden.

De stuksbemanning bestond uit acht militairen. Voor feitelijke inzet zou niet de FH70 maar de M114 worden gebruikt; beiden zijn intussen uitgefaseerd.

In Duitsland werd de FH-70 getrokken door een Lastkraftwagen (LKW) 7-ton, in Nederland door de artillerietrekker DAF YHZ-2300.

Specificaties:

breedte 2 meter 58

elevatie

-100 to +1,250 mils

gewicht gevechtsgereed

9.600 kg

hoogte

2 meter 45

lengte

12 meter 43

lengte in transporttoestand

9 meter 80

lengte schietbuis

6 meter 02

maximale dracht

24 ŗ 30 km, afhankelijk van de munitie (Rocket Assisted Projectiles, RAP)

maximale vuursnelheid

12 schoten per minuut

maximumsnelheid op eigen motor

15 km per uur

mondingsnelheid

827 meter per seconde

motor

Volkswagen M127, 4-cilinder, 1.795 cc, benzine

motorvermogen

53 kW (72 pk)

Terug naar Boven

 

FIELDLAB SMART BASE

Het project Fieldlab Smart Base is een experimenteeromgeving waarin het draait om het ontwikkelen van een base (basiskamp, compound, militair basiskamp) met een zo klein mogelijke footprint die past in het toekomstig landoptreden. De base vervult sinds de jaren '90 van de 20e eeuw een belangrijke rol en is niet meer weg te denken in het expeditionair optreden.

Binnen het project Fieldlab Smart Base werkt Defensie nauw samen met het bedrijfsleven (midden- en kleinbedrijf) en diverse kennisinstituten, die hun nieuwe toepassingen in een militaire omgeving kunnen ontwikkelen en testen. Hierbij valt te denken aan nieuwe middelen, uitrustingsstukken, materialen en technologieŽn.

De base moet voldoende bescherming bieden, operationeel flexibel zijn (zich kunnen aanpassen aan wisselende omstandigheden) en vlot op te bouwen (en eventueel verplaatsbaar) zijn.

De functionele thema's zijn dan ook bescherming, energie, water en Support & Services (logistiek).

Bij Support & Services staan personeels- en materieellogistiek centraal. Enkele functies en activiteiten die zich afspelen op een base zijn in dit kader:

Personeel

Materieel

► geneeskundige verzorging
► geestelijke verzorging (inclusief recreatie/ontspanning/post)
► woon- en slaapvoorzieningen
► werkruimtes
► voedselvoorziening
► hygiŽnische verzorging van het personeel (kapper/sanitair)

► opslag en overslag
► onderhoud en herstel
► wegen
► brandstofvoorziening
► wapens inschieten
► watervoorziening en -distributie
► vuilwaterverwerking
► energievoorziening

De opbouw van een base tijdens expeditionair optreden, in dit geval Kamp Castor in Gao in Oost-Mali. De base huisvest Nederlandse militairen van de stabilisatiemissie MINUSMA.

Zie ook: expeditionair en logistiek.

Terug naar Boven

 

FIELD TRAINING EXERCISE

GefechtsŁbung; ‹bung mit Volltruppe.
exercice rťel de la force.

Afgekort: FTX.

De FTX is een geleide oefening te velde waarbij de troepen worden geoefend. Hierbij voeren twee of meer eenheden, waarvan ťťn van tenminste bataljonsgrootte en in de regel een Opposing Force (OPFOR), onder nagebootste operationele gevechtsomstandigheden tactische verrichtingen uitvoeren. Hoewel een FTX zich doorgaans concentreert op verbeteringen op alle fronten, zowel skills en drills als commandovoering, wordt de bataljonsstaf vaak gelijktijdig getraind – eveneens door het naasthogere echelon (brigade) – in een CPX.

De tactische verrichtingen kunnen worden uitgevoerd met grond- en luchtgebonden wapens, zoals artillerie, infanterie, mortieren en tanks. In een FTX kunnen alle elementen van gevechts-, gevechtssteun- en gevechtsverzorgingssteuneenheden worden geoefend, maar dit is meestal pas het geval wanneer een brigade als geheel van verbonden wapens “de mat opgaat”; aard en omvang van de oefening vereisen dan een andere afstemming van middelen.

Onderscheiden worden onder andere:

CAX Computer-Assisted Exercise Oefening die is bedoeld om de staf in een computeromgeving te trainen
CPX

Command Post Exercise

Simulatieoefening zonder troepen voor commandopost (CP) of hoofdkwartier (HQ) elementen

LFX

Live Fire/Firing Exercise

Mobiele en/of statische schietoefening (artillerie, mortieren en/of overige vuursteunelementen)

MAPEX

Map Exercise

Oefening op de kaart (niet te verwarren met kaartleesoefening)

 

Velddienst

Oefening op compagniesniveau of lager waarbij de elementaire training te velde plaatsvindt onder nagebootste operationele omstandigheden

Voorbeeld van een Command Post Exercise (CPX).

Voorbeeld van een Live Fire Exercise, in dit geval met tanks.

Zie ook: T.O.O.K. en T.O.Z.T.

Terug naar Boven

 

FILLER

Ontleend aan het Engels. Jonge, onervaren militair; bolle; groentje. Nieuw opgeleide rekruut die de positie inneemt van de afgezwaaide, oude lichting. Engels: crow.

Ten tijde van de dienstplicht gold in Nederland van 1953 tot 1963 voor het rekruteren het Individuele Aanvullingssysteem (INDAS). Dit systeem heette ook wel het ‘filler-systeem’. De nieuw opgeleide rekruten vulden de gaten die ontstonden door het afzwaaien van een oude lichting dienstplichtigen; zo kwam iedere 2 ŗ 3 maanden een nieuwe lichting vers opgeleide dienstplichtigen op.

Om de twee of drie maanden wisselde op deze wijze een vastgesteld percentage dienstplichtigen van functie. Het gevolg van het INDAS was dat het teamverband van de eenheden niet erg hecht was. Echter, mede omdat binnen de eenheden voortdurend een gelijk niveau van kennis en ervaring aanwezig was, kenden deze een constante graad van geoefendheid.

Zie ook: rekruut.

Terug naar Boven

 

FILLGUN

Codenaam: KY-9724. Synoniem: codeersleutel. Extern cryptografisch apparaat dat wordt gebruikt om frequenties en overeenkomstige datagegevens te laden en verspreiden op meerdere radiotoestellen van de FM9000-serie (Combat Net Radio).

Voor het laden zijn een abonneenummer en een pincode nodig, welke worden verstrekt door de Sectie 6. In de regel kunnen alle radiostations (gebruikers) op ťťn radionet - die onder hetzelfde netcontrolestation (NCS) vallen - met ťťn fillgun worden geladen.

Na het laden (programmeren) van het radiotoestel kunnen de frequenties worden geactiveerd. Een met de fillgun geladen radiotoestel maakt het mogelijk met vercijferde gegevens op gedigitaliseerde frequenties te werken; een niet met de fillgun geladen radiotoestel kan alleen op analoge frequenties zenden en ontvangen.

Na afloop van een opdracht kunnen de met de fillgun geladen interne gegevens met een druk op de knop worden gewist. Omdat de fillgun een Controlled Cryptographic Item (CCI) is, wordt deze buiten het gebruik opgeslagen in een kluis of wapenkamer.

Terug naar Boven

 

FINAL COMMANDERS' BACKBRIEF (FCBB)

Zie ook: Commander’s Intent, Confirmation Brief, denken in effecten, Initial Commanders' Backbrief (ICBB), OATDOEM, Tactisch Besluitvormings Model (TBM).

Terug naar Boven

 

FINAL EXERCISE REPORT

Afgekort: FER. Frans: compte rendu final d'exercice. Laatste, volledige evaluatie van een oefening of manoeuvre. Niet te verwarren met een First Impression Report.

Zie ook: After Action Report (AAR),C.A.L.L., D.C.T.O.M.P.-factoren, First Impression Report, Lessons Learned en war diarist.

Terug naar Boven

 

FINAL FIRING POSITION

Afgekort: FFP. De laatste vuurpositie vanwaar een sluipschutter (sniper) heimelijk zijn doel onder vuur neemt als hij daarheen is gestalkt. De stalk, die vele uren in beslag kan nemen, en het lossen van het schot worden uitgevoerd in een ghillie suit.

De terugtrekking vanuit de FFP wordt uitgevoerd als een exfiltratie.

Terug naar Boven

 

FINAL RENDEZ-VOUS

Afgekort: FRV. Frans: lieu de rendez-vous final. Nederlands: laatste gedekte opstelling (lgo).

Langs of op de route waar een patrouille verplaatst aangegeven laatste gedekte opstelling. In de regel bevindt de FRV/lgo zich aan het einde van een route die een uur voor zonsopkomst / Begin Nautische Morgen Schemering moet worden bereikt.

In de regel wordt een herkenbare en verdedigbare rendez-vous pas gebruikt als een patrouille wordt uiteengeslagen, bijvoorbeeld wanneer noodgedwongen moet worden teruggetrokken bij een hinderlaag, of bij het uitvoeren van een opdracht om bijvoorbeeld een waarnemings- en luisterpost (WLP) te betrekken.

Op de FRV, waar na het uiteenslaan van een patrouille wordt gehergroepeerd, kan eventueel een FRV-party voor de ‘rear protection’ en/of een dumppunt met wapens en klasse V als back-up worden achtergehouden.

Zie ook: contactdrill, emergency rendez-vous (ERV), patrouille te voet, rendez-vous en verkenningspatrouille.

Terug naar Boven

 

FIND

Een van de drie kerntaken van het gevecht.

Find, het vinden van de opponent, is een voorwaardescheppende kerntaak met als doel zoveel mogelijk informatie over de opponent te verzamelen.

De middelen die worden aangewend om het vinden van de opponent te doen slagen zijn onder andere doelopsporing, elektronische oorlogvoering, gevechtshelikopters en verkenningseenheden. Met uitzondering van de gevechtshelikopters zijn deze eenheden in de Koninklijke Landmacht verenigd in het JISTARC.

De twee andere kerntaken zijn fix en strike. Zie ook: as, backward planning en exploit.

Terug naar Boven

 

FIRING BOX

Ook genaamd: fire box. Duits: Schiess Übungsraum (SÜR).

Veiligheidsmaatregel op de schietbaan: de sector waar het uitbrengen van vuur door de schutter is toegestaan na toestemming door de HSI/baancommandant. Buiten de firebox staan de wapens altijd op 'safe'.

De firebox dient gemarkeerd te zijn met baanmarkering, zoals een sectorbaken of -grens. Het begin van het gebied 'vuren vrij' is het begin firebox, het einde het einde firebox. Einde firebox betekent dat niet verder dan dat punt door de schutter naar voren mag worden verplaatst.

Begin en einde firebox moeten bekend zijn bij alle schietbaanfunctionarissen.

Terug naar Boven

 

FIRING CLOSE REPORT

Rapport dat vanaf een positie dient te worden opgemaakt bij vuur van kleinkaliberwapens binnen 25 meter en/of artillerie- en/of mortiervuur binnen 100 meter.

Een firing-close report wordt doorgegeven via de radio aan de OPS-Room op een compound. Op de OPS-Room komen alle rapporten met meldingen vanuit verschillende posities binnen, meest bij Peace Support Operations.

A
Tijd aanvang schieten; tijd eerste waarneming schieten

B

Tijd einde schieten; tijd eerste waarneming schieten

C

Aantal schoten + Kaliber

D

Vanaf welke locatie is geschoten

E

Naar welke locatie is geschoten; aantal meters van inslag

F

Groepering; sterkte; bewapening

H

Gewonde(n); schade

M

Bijzonderheden; genomen maatregelen

Terug naar Boven

 

FIRST IMPRESSION REPORT

Afgekort: FIR. Frans: compte rendu de premiŤre impression. Eerste en niet per se volledige evaluatie van een oefening of manoeuvre.

Een format voor het invullen van een FIR is:

Constatering

Beschouwing

Aanbeveling

Actie

Beeldgedrag.
Vermeldt hier zaken die zelf zijn waargenomen en dus daadwerkelijk zijn geconstateerd.

Vermeldt hier waarom de constatering als aandachtspunt is opgenomen in de FIR.
Geef evt. de norm en omstandigheden aan die van invloed waren op het geconstateerde. Geef ook de gevolgen aan van het geconstateerde voor uw optreden.

Vermeldt hier wat gedaan kan worden om verbeteringen te bereiken: concrete actiepunten waar actiegeadresseerden mee kunnen werken.
Vergelijkbaar met CALL (conclusies, aanbevelingen en lessons learned).

Vermeldt hier de actiegeadresseerde (actiehouder: functionaris of eenheid) die actie moet voeren om een oplossing (verbetering) te bereiken.

CALL (Conclusies, Aanbevelingen en Lessons Learned) is ook de afkorting van het Center for Army Lessons Learned van de Amerikaanse landstrijdkrachten. Dit is de tegenhanger van het Bureau Lessons Learned van de Koninklijke Landmacht, dat het collectieve geheugen van alle landmachtoperaties en -oefeningen opslaat onder het motto "Een wijs man leert van zijn ervaringen, maar een wijzer man leert ook van andersmans ervaringen" (Confucius).

Niet te verwarren met een Final Exercise Report.

Zie ook: After Action Report (AAR), C.A.L.L., D.C.T.O.M.P.-factoren, Final Exercise Report, Lessons Learned en war diarist.

Terug naar Boven

 

FIX

Een van de drie kerntaken van het gevecht.

Fix, het binden van de opponent, is een voorwaardescheppende kerntaak met als doel het binden van vijandelijke elementen om de opponent de vrijheid van handelen te ontnemen. Daartoe wordt de vijand misleid, verleid of verrast.

De twee andere kerntaken zijn find en strike. Zie ook: achtervolging, as, backward planning en exploit.

Terug naar Boven

 

FIXED WING

 

Terug naar Boven

 

FLANK

Duits: Flanke. Engels: flank. Frans: flanc. Het laterale deel van het gevechtsveld. Dit is het gedeelte dat aan de buitenzijde is gelegen, d.w.z. in de diepte aan de linker- en/of rechterzijde van het front.

In het algemeen worden de flanken als zeer kwetsbaar beschouwd voor een aanval (met name bij verminderd zicht), omdat:

►de aandacht van de commandant zich in de regel op het front richt, waar hij in actie wil komen of juist de vijandelijke aanval verwacht

►de aanval het best slaagt wanneer een plaatselijke overmacht aan middelen op de meest kwetsbare plekken van de vijand wordt gericht

►de flanken in afstand minder lang zijn dan het front, zodat daarop numeriek minder strijdkrachten kunnen worden ontplooid

►voor een flankaanval een beperkte hoeveelheid gevechtskracht al effectief is

De opstelling van eenheden op de flanken is onontbeerlijk:

►In defensief opzicht om verrassing door de vijand op de eigen flanken te voorkomen.

Zie verder flankbeveiliging

►in offensief opzicht om flankerende bewegingen (haaks op het front dan wel vol op de flank) te kunnen uitvoeren.

Zie verder flankaanval

Het deel van een slagorde dat aan de buitenzijde optreedt wordt ook “flank” genoemd.

Zie ook: vak.

Terug naar Boven

 

FLANKAANVAL

Duits: Flankenangriff. Engels: flanking attack. Frans: attaque de flanc.

De beste flankaanval is de omvatting, waarbij het zwaartepunt wordt gericht op de flank van de vijand. De vijand kan nergens heen behalve naar achteren als het terugtrekken tenminste al niet bij de omvatting is afgesneden.

Flankaanvallen zijn zelden een mislukking. Vijandelijke diepe en/of nabijoperaties kunnen nu eenmaal via de flanken of in de rug worden verwacht. Zo'n flankaanval bevordert zowel snelheid als verrassing. Bovendien wordt de aanvallende eenheid geconfronteerd met eigen open flanken en langere aanvoerlijnen naarmate de aanval vordert.

Terug naar Boven

FLANKBEVEILIGING

Duits: Flankensicherung. Engels: flank guard. Frans: flanc-garde.

Flankbeveiliging wordt in de regel gerealiseerd door verkenningseenheden, eventueel geholpen door antitankeenheden, gevechtshelikopters en vuursteuneenheden, die de flanken op grote(re) afstand dekken.

Flankbeveiliging vermindert de risico's van open flanken en onbezette terreindelen.

Terug naar Boven

 

FLANKEERVUUR

Ook genaamd: flankerend vuur.

Zie verder: vuur.

Terug naar Boven

 

FLARES

Afgekort: fl. Synoniem: afleidingsvuurpeilen; lichtfakkels; magnesiumfakkels. Voluit: decoy flares. Duits: Täuschkörper. Frans: leurres (thermiques).

Pyrotechnisch middel dat door een helikopter of vliegtuig als zelfbescherming wordt uitgeworpen om de vijandelijke hitte- of infraroodzoekende sensoren van geleide raketten af te leiden van het beoogde aanvalsdoel. Het gaat hierbij in de regel om lucht-luchtraketten (air-to-air missiles, AAMs) of luchtdoelraketten (surface-to-air missiles, SAMs).

Flares - een elektro-optisch zelfbeschermingsmiddel in het kader van missile countermeasures - zijn een IsraŽlische vinding. Flares - munitie die is samengesteld uit de stoffen magnesium, teflon en/of viton - behoort tot de bewapening van de fixed of rotary wing.

De duizend graden Celsius hete flares simuleren de straalmotoren. Omdat de hitte van de flares veel groter is dan de hitte die wordt geproduceerd door de uitlaat van de straalmotoren, brengt de thermische signatuur van de flares vijandelijke AAM's en SAM's op een dwaalspoor.

Tijdens een Close Air Support-missie is het laag overvliegen met naverbrander of het afschieten van flares vaak al voldoende om de tegenstanders te laten afdruipen.

Een Chinook gebruikt flares tegen hittezoekende raketten.

F-15E's lanceren chaff en flares in de buurt van Royal Air Force Holbeach Bombing Range.

Als bekendste SAM geldt de Stinger anti-luchtdoelraket. Het preventief afwerpen van flares heeft op de moderne versie van de Stinger geen invloed meer, omdat die niet alleen op de infrarode (IR) maar ook op de ultraviolette (UV) informatie van het luchtdoel reageert. Technisch heeft de luchtvaartindustrie nog geen effectief antwoord op deze moderne Stinger-dreiging.

Met flares worden ook bedoeld:

►lichtpatronen die 's nachts aanvalsdoelen (Target Marking Flares) of het gevechtsveld in het algemeen verlichten;

►lichtpatronen die de veranderde aanvliegroute van een vliegtuig aangeven;

►lichtpatronen - bijvoorbeeld hand of para flares - die bij dag- en nachtoptreden de eigen locatie - zoals het landingpoint - positief identificeren; bij optreden in duisternis werken lichtpatronen echter ook verblindend op nachtzichtapparatuur en piloten, zodat het gebruik dient te worden beperkt tot in noodgevallen.

Zie ook: chaff en trip flare (struikeldraadlichtsein).

Terug naar Boven

 

FLASH-BALL

De 40 mm-patronen flash-ball.

Nonlethaal wapen dat kogels van soepel rubber met een kaliber van 40 mm afvuurt die in elkaar worden gedrukt als zij iemand of iets raken. De krachtige impact met de rubberen ballen, die door de kleding heen penetreren, komt overeen met een technisch knock-out.

Flash ball-patronen kunnen ernstig en zelfs dodelijk letsel veroorzaken indien zij van (te) dichtbij worden afgevuurd.

Het flash ball-wapen wordt op grote schaal gebruikt door Franse politie-eenheden als de Brigades Anti-Criminalitť (BAC), Groupes d'Intervention de la Police Nationale (GIPN) en Recherche Assistance Intervention Dissuasion (RAID).

Eind 2005 vonden in de voorsteden van de Franse hoofdstad Parijs ernstige rellen plaats, nadat op 27 oktober 2005 twee jongens in een elektriciteitshuisje in Clichy-sous-Bois in het departement Seine-Saint-Denis waren geŽlektrocuteerd. Naar verluidt zette de politie ook toen op grote schaal flash-ball-wapens in.

Terug naar Boven

 

FLASH-BANG

Afgekort: FB. Ook wel knal- en/of lichtgranaat genoemd. Akoestische handgranaat.

Links de uitwerking van een flash-bang, rechts de XM-84 Newstun flash-bang.

Flash-bangs zijn speciale, non-letale maar extreem krachtig handgranaten die een combinatie van een verblindende flits en een oorverdovende knal leveren. Door de combinatie van knal en flits raken mensen tijdelijk afgeleid, gedesoriŽnteerd of verward. Een flash-bang zal de gevechtsbereidheid ongeveer een minuut ernstig verminderen. De flits wordt veroorzaakt door Ī 1.000.000 candela's, de knal door Ī 140 ŗ 180 decibel.

EENHEID

AFKORTING

BETEKENIS

Candela

cd

Eenheid van lichtsterkte

1 candela komt overeen met de lichtsterkte die een gewone kaars uitzendt

Decibel dB Eenheid van geluidsintensiteit1 decibel is het zachtste geluid dat mensen kunnen horen; 140 decibel is de pijngrens voor het menselijk gehoororgaan
 

Flash-bangs zijn in eerste instantie ontworpen voor de Britse Special Air Service.

De combinatie van geluid en licht - waarbij de flash het extra effect op de bang is – blijkt vooral effectief tegen een onvoldoende voorbereide tegenstander, die wordt afgeleid. Daardoor realiseert de gebruiker extra tijd van maximaal 5 ŗ 6 seconden om de situatie naar zijn hand te zetten. De Nederlandse krijgsmacht maakt op beperkte schaal gebruik van flash-bangs, met name Special Forces zoals het Korps Commandotroepen en reguliere infanteristen.

De meeste flash-bangs bestaan uit een mengsel van pyrotechnische middelen en een explosief dat met een ontsteker tot detonatie wordt gebracht. Doordat de explosie in het stalen omkleedsel van de flash-bang plaatsvindt, ontstaat er een kortstondige drukgolf.

Binnen de Koninklijke Landmacht is (voorlopig) tijdelijk de "handgranaat knal en flits, 1 knal, nummer 357" in gebruik. Deze vervangt de aanvalshandgranaat nummer 17 en is met name interessant in het gebruik tijdens het optreden in verstedelijkt gebied bij het zuiveren van huizen.
Nummer 357 heeft een knal van 170 decibel, een flits van 7.000.000 candela, een vertragingstijd van 1,5 seconde en weegt 300 gram.

Terug naar Boven

 

FLASHCARD

Fluorescerende kleuren zoals die voor een flashcard worden gebruikt.

Fluorescerende en geplastificeerde kaart.

In eerste instantie wordt de flashcard door een marshaller gehanteerd om de aandacht van de piloot van een helikopter te trekken en aan te geven dat een bepaalde locatie geschikt is als landing point.

Daarnaast wordt de flashcard gebruikt om gegevens die betrekking hebben op een chalk of under slung load van een transporthelikopter op te noteren; de flashcard wordt door de chalkcommandant aan de helikopterbemanning gegeven ter verificatie van de (vlucht)gegevens van cargo en pax.

"Om friendly force identicification te versnellen tijdens het gevecht en blue on blue te voorkomen werd gebruik gemaakt van de flashcard. Waar de marinier eerder zijn geweergroepscommandant moest vragen (en deze vervolgens eventueel de PC) of er bevriende troepen in een bepaald gebouw aanwezig waren, maakte men nu gebruik van de flashcard. Deze techniek bleek uitstekend te werken […]. Inmiddels is het een standaard drill en draagt iedereen zijn flashcard in zijn broekzak om er snel bij te kunnen.”

Bron: Qua Patet Orbis, jaargang 2007 nummer 1, uitgave van het Korps Mariniers.

Zie ook: pax.

Terug naar Boven

 

FLATRACK

Ook genaamd: A-frame; container roll in and out platforms; demountable load carrying platform. Nederlands: demonteerbaar ladingdragend platform.

Binnen het Onafhankelijke Lastdrager Concept (OLC) is de flatrack een vlakke, versterkte laadvloer, gebaseerd op de maatvoering van een ISO-container (8 x 20 voet; 343 x 610 cm), die is bestemd voor het vervoer van munitie, veldversterking en groot materieel zoals boten, brugdelen en wegenmatten.

Op een flatrack kan een container of meerdere pallets geplaatst worden zodat deze door een WLS kunnen worden meegenomen.

De flatrack bestaat minimaal uit vier bestanddelen: blokkeringssysteem, dubbele geleidingsrails, een haakbeugel en een vlakke bodem. Op de vlakke bodem is de haakbeugel bevestigd. Onder de vlakke bodem liggen de dubbele geleidingsrails met daaraan bevestigd het blokkeringssysteem. Aan de hoekpunten bevinden zich de cornerfittings, die zijn geplaatst op de maatvoering van de ISO-container.

Afhankelijk van het gebruikersdoel bevindt zich op flatrack een opbouw. Er zijn flatracks voor geconditioneerd vervoer, ongeconditioneerd vervoer en het vervoer van vloeitstoffen (gesloten opbouw, bijvoorbeeld een brandstofvoorraadtank van 12.000 liter klasse III met een pompunit). Een haakarm trekt de flatracks op de achterkant van het voertuig.

Met de klok mee vanaf rechtsboven: flatrack algemene dienst met huif, flatrack water met pompsysteem, flatrack brandstof met pompsysteem en container.

Binnen de KL is de Scania vrachtauto 165 kN 8 x 8 Wissel Laad Systeem (WLS) speciaal bestemd voor het vervoer van onder andere flatracks, die er met behulp van de hydraulische Multilift TSH 230 -haaklift kunnen worden op- en afgezet.

De ladingdragende flatracks zijn op deze manier niet langer gekoppeld aan het voertuig, maar kunnen onafhankelijk van het voertuig worden ingezet. In het nieuwe Fysieke Distributie-concept leveren de chauffeurs de verschillende klassen (I t/m V) bij de (gevechts)eenheden af, ook aan het front, in plaats van bij verdeelplaatsen.

Voorbeelden van de flatrack in de militaire praktijk.

Een flatrack met reserveonderdelen.

De flatrack klasse III, met een capaciteit van 12.000 liter brandstof, heeft de mogelijkheid om tegelijkertijd twee voertuigen af te tanken met twee haspels met een vulslang van elk Ī 10 meter.

Bij de manoeuvre-eenheden gebeurt dit in principe tot op teamniveau, bij de artillerie tot op pelotonsniveau. Door het nieuwe concept is een snelle distributie mogelijk, zodat het voertuig bij het (ont)laden slechts een zeer korte periode stilstaat. Op deze manier kan in hetzelfde tijdsbestek met dezelfde hoeveelheid voertuigen een grotere hoeveelheid materieel worden verplaatst.

Zie ook: klasse I tot en met X.

Terug naar Boven

 

FLAUWVALLEN

in Ohnmacht fallen; ohnmšchtig werden.
faint; pass out.
s'ťvanouir.

Synoniemen: bezwijmen, in onmacht vallen, van de graat vallen, van zijn/haar stokje gaan.

Flauwvallen (syncope, flauwte) is vaak het gevolg van een tijdelijk verminderde bloedtoevoer naar de hersenen, waardoor daar een zuurstoftekort optreedt.

Vanwege de onvoldoende bloedtoevoer compenseert het lichaam de lage bloeddruk met een kortdurend bewustzijnsverlies, waardoor de regeling van de bloeddruk automatisch wordt hersteld.

In de regel is iemand binnen ten hoogste enkele minuten weer bij bewustzijn.

Pinkhof geneeskundig woordenboek noemt de bijzondere oorzaak van flauwvallen bij militairen.

Syncope: Flauwvallen.

Perifere spierpomp: De regelmatige spiersamentrekkingen in de benen helpen in belangrijke mate bij het terugstromen van bloed uit de aderen naar het hart. Langdurig stilstaan stelt die spiersamentrekkingen voor een groot deel buiten werking. Dit vermindert de terugstroom van het bloed naar het hart en is dus nadelig voor de perifere spierpomp.

Systemische circulatie: Deel van het bloedvatenstelsel dat het bloed van het hart naar Šlle delen van het lichaam rondpompt, behalve naar de longen. Het hart pompt het bloed rond door slagaders en aders.

Bron: lemma 'syncope' (flauwvallen) in Pinkhof geneeskundig woordenboek (externe link), 11e druk, 2006, p. 1102.

Door het wegvallen van de spanning (controle en coŲrdinatie) van de spieren is het grootste gevaar van ongecontroleerd in elkaar zakken bij flauwvallen de val zelf, waardoor verwondingen kunnen ontstaan.

Eerste hulp (ZHKH) bij flauwvallen:

VOORKOMEN FLAUWVALLEN:

► probeer, door tijdige herkenning van de verschijnselen van flauwvallen, vallen te voorkomen

► vang de patiŽnt op met de handgreep van Rautek

► zorg voor frisse lucht, stel de patiŽnt gerust en maak knellende kleding los

► leg de patint neer met de benen (ondersteund) omhoog

HANDELEN NA FLAUWVALLEN:

► stel de ademweg (airway) veilig

► laat de patiŽnt bijkomen; dit gebeurt in de regel vanzelf binnen enkele minuten

► laat de patiŽnt na het bijkomen nog zeker 10 minuten liggen om opnieuw flauwvallen te voorkomen

LET OP!

Komt de patiŽnt niet binnen enkele minuten bij, dan is gťťn sprake van flauwvallen.
Handel dan als bij het voorkomen en bestrijden van shock.
Waarschuw onmiddellijk geneeskundig personeel.

Als militairen langdurig in de houding moeten staan, zoals bij een beŽdiging, komt het voor dat er een flauwvalt. Hier is een militair van de lichtingsploeg 1978/1 op de Koninklijke Militaire School "tegen de vlakte gegaan".

  

Voorafgaand aan het flauwvallen is soms sprake van:

► duizeligheid

► kortademigheid

► misselijkheid

► transpireren (kortstondig maar heftig)

► zwart voor de ogen

Onder militairen wordt het flauwvallen vaak veroorzaakt door:

► een injectie (zoals bij een vaccinatie) of bloed zien

► langdurig (in de houding) staan

► langdurige blootstelling aan hitte (houd rekening met warmteletsel)

► onvoldoende eten en/of drinken (houd rekening met uitdroging)

HITTEFLAUWTE (HITTESYNCOPE)

Een bijzondere vorm van flauwvallen is die als gevolg van warmweersomstandigheden.

Dikwijls ontstaat hitteflauwte als een activiteit in de hitte plotseling wordt gestopt: de bloedtoevoer naar de hersenen wordt dan ineens onvoldoende.

Daarnaast verdwijnt het koeleffect van de wind, versterkt doordat transpireren in de hitte zorgde voor het koelen van de huid.

Hitteflauwte ontstaat door een combinatie van stuwing van warmte in het lichaam, vochttekort (uitdroging) en een lage bloedsuikerspiegel.

Behalve flauwvallen zijn de verschijnselen: een koele, vochtige huid, een lichaamstemperatuur lager dan 39 graden Celsius (rectaal gemeten) en een slecht voelbare pols.

De patiŽnt moet op een koele plaats worden neergelegd, met de benen (ondersteund) omhoog; kleding en uitrusting los; laten drinken, liefst Oral Rehydration Salts (ORS) of sportdrank.

Voorkomen van flauwvallen bij langdurig (in de houding) staan:

► knieŽn ontspannen (niet overstrekken)

► niet onnatuurlijk, krampachtig staan

► ogen blijven bewegen (niet op een vast punt focussen)

► tenen bewegen / op de voorvoet bewegen

Zie ook: airway (ademweg), dehydratie (uitdroging), handgreep van Rautek, Instructiekaart (IK) 2-22 (12e druk, afdrukbaar in boekje A5), warmteletsel en Zelfhulp- en Kameradenhulp (ZHKH).

Terug naar Boven

 

FLIGHT

serial.

Al dan niet ad hoc samengestelde eenheid van de luchtmacht van twee of meer fixed of rotary wing (vliegtuig of helikopter) die zich door de lucht verplaatst onder leiding van een flightcommander - de bevelvoerder van de flight (luitenant of kapitein).

In de regel telt een flight niet meer dan zes helikopters.

De flight verplaatst zich in de regel in formatie en bestaat, bij air manoeuvre-operaties, doorgaans uit helikopters van hetzelfde type.

In een groter verband kan de flight deel uitmaken van een wave.

Zie ook: helikopter, rotary wing en wave.

Terug naar Boven

 

FLIGHT NURSE

flight nurse; flight medic; flight paramedic.

Gespecialiseerd verpleegkundige die zijn werkzaamheden op het gebied van luchtgewondentransport uitvoert aan boord van een al dan niet specifiek hiervoor ingerichte (dedicated) Cougar- of Chinook-helikopter van de Koninklijke Luchtmacht.

Hoewel het specialisme uitgaat van het niveau verpleegkundige, strekt het deskundigheidsniveau Intensive Care (IC) of Spoedeisende Hulpverlening (SEH) tot aanbeveling.

In het geval van dedicated wordt een gestabiliseerde patiŽnt getransporteerd in een helikopter die is toegerust met geneeskundige apparatuur, zoals beademings-, uitzuig- en zuurstofapparatuur, defibrillator, patiŽntenmonitor en spuitpompen.

De Amerikaanse Flight Medic Course, welke opleidt tot flight nurse, wordt gevolgd aan de US Army School of Aviation Medicine (USASAM) in Fort Rucker, Alabama.

Dit is een vier weken durende cursus om personeel op te leiden tot Flight Medical Aidman, met certificeringen in onder andere Basic Trauma Life Support - Advance (BTLS-A), Advanced Cardiac Life Support (ACLS) en Pediatric Education for Prehospital Professionals (PEPP).

Daarnaast krijgt de militaire student les in specifieke onderwerpen op het gebied van luchtgewondentransport, zoals:

■ desoriŽntatie
■ fysiologie
■ geluid en trillingen
■ G-krachten
■ speciale uitrusting
■ stress en moeheid
■ toxicologie

In de Nederlandse situatie treedt de flight nurse, zowel zelfstandig als samen met een flight surgeon (vlieger-arts), op, met name ten behoeve van medische evacuaties (MEDEVAC). Tijdens missies zullen hiertoe zgn. Quick Reaction Alert-diensten worden gedraaid.

De flight nurse van de Koninklijke Luchtmacht krijgt van een AMV'er een patiŽnt overgedragen voor de afvoer met de helikopter.

Binnen de Amerikaanse krijgsmacht bestaat de flight nurse sinds 1944, toen de eerste US Army Flight Medic is ingezet in Birma.

Zie ook: Algemeen Militair Verpleegkundige, doorgunner, loadmaster, luchtgewondentransport en MEDEVAC.

Terug naar Boven

 

F.L.I.R.

Voluit: Forward Looking Infrared. Duits: vorwšrtsschauende Infrarotkamera. Frans: infrarouge ŗ vision frontale. Nederlands: vooruitkijkend infrarood. FLIR, een zoeksysteem gebaseerd op infrarood (IR) dat vooral in de (militaire) luchtvaart wordt gebruikt, is een vorm van elektro-optisch warmtebeeld bij verminderd zicht, ook 's nachts.

Aan de hand van infraroodstraling in het Thermisch Infrarood (TIR) spectrum detecteren, classificeren en identificeren sensoren warmtebronnen. (Een andere vorm van TIR-warmtebeelddetectie is Infrared Line Scan, IRLS). Ook kunnen met behulp van FLIR doelen worden opgespoord en de afstand daartoe worden gemeten.

Warmtebronnen zijn bijvoorbeeld levende wezens, vuur, weedplantages e.d. Een (te) gering temperatuurverschil tussen objecten en hun omgeving, bijvoorbeeld door regen of mist, beperkt echter het gebruik van FLIR. Hetzelfde geldt voor de nabijheid van infrastructuur, die de infrarode signatuur van objecten beÔnvloedt. Temperaturen in stedelijke gebieden zijn hoger dan die in plattelandsgebieden en kunnen zelfs 10 tot 20 graden hoger zijn dan de omgeving.

FLIR detecteert infrarode energie, zet die om in elektronische signalen en stelt een herkenbaar dag- of nachtbeeld op video samen. De FLIR-camera van een helikopter of vliegtuig levert beelden die bijvoorbeeld grondgebonden operaties en anti surface warfare (tegen oppervlakteschepen) ondersteunen.

FLIR is onder andere in gebruik bij Apache-, NH90- en Westland Lynx-helikopters.

Verwante afkortingen:

AFLIR

Advanced Forward Looking Infrared

ATFLIR

Advanced Targetting Forward-Looking Infrared

DLIR

Downward Looking Infrared

FLIR(S)

Forward Looking Infrared (System)

N(AV)FLIR

Navigation Forward-Looking Infrared

PFLIR

Piloting Forward Looking Infrared

SLIR

Sideways Looking Infrared

TFLIR

Targeting Forward-Looking Infrared

Praktijkvoorbeeld van Forward Looking Infrared (FLIR): een Amerikaanse AH-64 Apache neemt een Taliban-strijder in het raam waar. De vijandelijke strijder zal door de gevechtshelikopter worden uitgeschakeld.

De still is afkomstig uit de documentaire 'Combat Aviation: Apache' van filmmaker/Staff Sergeant Robert Aaron Ham en is onder meer uitgezonden op All Warrior Network (AWN).

Terug naar Boven

 

FLY-PAST

Ook genaamd: fly-by; fly-over. Nederlands: luchtdefilť; luchtparade. Solo- (ťťn vliegtuig) of formatievlucht (meerdere vliegtuigen) die door toeschouwers vanaf de grond wordt gadegeslagen.

Een fly-past vindt bijvoorbeeld plaats bij de introductie van een nieuw type vliegtuig, op een vliegshow of ter gelegenheid van een beŽdiging, commando-overdracht, dankbetuiging, Koninklijke verjaardag of andere (nationale) plechtigheid.

Fly-past tijdens Veteranendag 2012 (30 juni).
Voorafgaand aan het nationaal defilť voor Z.K.H. de Prins van Oranje vloog er die dag vijf minuten lang een fly-past van moderne en historische vliegtuigen over Den Haag.

Hoewel een fly-past niet per se in een militaire situatie plaatsvindt, zijn de overvliegende vliegtuigen in de regel wel van de krijgsmacht, zowel (vastvleugelige) vliegtuigen (fixed wing) als (draaivleugelige) helikopters (rotary wing).

Terug naar Boven

 

FM-12 (CBRN-MASKER)

Het FM-12 masker, gemaakt van chlorobutyl-rubber, beschermt gezicht, ogen en maagdarmkanaal van de drager tegen het binnendringen van biologische en chemische strijdmiddelen in aŽrosol-, damp- of vloeistofvorm.

Het CBRN-volgelaatsmasker, organiek geproduceerd door het Britse Avon Protection, heeft een standaard NAVO-filterbusaansluiting (40 mm). De FM-12 is in 1997 in de Nederlandse krijgsmacht geÔntroduceerd.

Het is een maatartikel (afhankelijk van de grootte van het hoofd van de drager), weegt Ī 270 gram, is voorzien van een ingebouwd drinksysteem met slangetje (dat op de veldfles kan worden aangesloten), en is verkrijgbaar voor zowel links- als rechtshandigen.

De FM-12 is onder andere ook in gebruik in BelgiŽ, Denemarken, Groot-BrittanniŽ (als Avon S10 S10 NBC Respirator) en bij CBRN-specialisten van de Verenigde Staten.

FM-12.

Doorsnede van de filterbus van de FM-12.

In de maskeroefenruimte (MOR) worden oefeningen gehouden om het dragen van en werken in beschermstelling met het CBRN-volgelaatsmasker aan te leren dan wel te verbeteren.

Bronnen:

►Handboek KL-militair

►Instructiekaart NBC-masker FM-12 (IK 010059)

►NBC-instructiekaart (DF 3508004)

►Voorschrift NBC-masker FM-12 (VS 3-250)

Zie ook: CBRN, COLPRO, FM-12 (CBRN-masker) en maskeroefenruimte.

Terug naar Boven

 

FM9000

Van 1994 tot 2001 binnen de Koninklijke Landmacht ingestroomde Combat Net Radio (CNR, gevechtsveldradio) voor tactisch gebruik op de ultrakorte golf (Very High Frequency, 30 tot 88 megahertz).

De FM9000 is geschikt voor draadloze voice- (spraak) en datatransmissie en voor relayeeractiviteiten. De zender-ontvanger is ook op afstand te bedienen door middel van het afstandsbedieningapparaat (ABA of TDT KY9710).

Links de RT9500 (voertuigversie), rechts de draagbare manpack radio RT9200, beiden uit de FM9000-serie.

De radio, de opvolger van de verouderde FM-3600 in aluminium behuizing, is de vernederlandste versie van de Franse PR4G (Poste de Radio de 4eme Gťnťration) die was ontwikkeld door Thomson-CSF (vervolgens Thales Communications, Philips Telecommunicatie Industrie en Signaal Communications).

Enkele set RT9500 (voertuigversie), met daarop het afstandsbedieningsapparaat (ABA of TDT KY9710).

De totale contractomvang bedroeg ruim 400 miljoen gulden (ruim Ä 180 miljoen), waarvan 70% is geproduceerd in Nederland. Nederland was het eerste land dat de PR4G kocht, gevolgd door ruim twintig andere landen.

De FM9000 is in staat zowel analoog als digitaal aangeboden informatie over te dragen. Een analoog signaal wordt eerst omgezet naar digitaal en daarna op dezelfde manier verwerkt als de digitale ingang.

In alle gebruiksmogelijkheden kan daarnaast worden beschikt over de gewenste beveiligingstechnieken, zoals frequency hopping en cryptografische beveiliging. In het laatste geval wordt de verzonden informatie versleuteld.

Bij frequency hopping loopt de netwerkkaart van de radio per seconde meerdere malen een reeks frequenties af, waardoor onbevoegden niet kunnen inloggen. Per seconde wordt 3.000 maal van frequentie gewisseld.

  

FM9000 staat voor een complete serie radio's en de daarbij behorende producten, zoals radio's en intercomsystemen voor de installatie in pantservoertuigen, tanks en wielvoertuigen, manpack radio's en portofoons.

In totaal ruim 150.000 artikelen zijn op deze wijze geÔntegreerd in wapen- en commandosystemen binnen de Koninklijke Landmacht.

De zend/ontvangers (Receiver-Transmitters, RT's) die behoren behorende tot de familie FM9000 zijn te verdelen in vier versies:

 

Type

Max. bereik

Watt

RT9100

Handheld

2 ŗ 3 km

0,1-1

 

Formaat portofoon.

RT9200

Manpack

8 km

0,4 en 4

 Geschikt voor draagbaar gebruik, zowel manpack als voor gebruik in pantserrups- en wielvoertuigen. Bij meerdere RT's in ťťn voertuig zijn dit om technische redenen altijd RT9500 sets.

RT9500

Vehicle

30 km

0,4, 4 en 40

 Bestemd voor gebruik in pantserrups- en wielvoertuigen.

RT9600

Airborne

 

0,5, 5 of 10

 

Gebruikt voor de grond-lucht verbinding voor de helikoptertypen Apache, Chinook en Cougar. Het vermogen is afhankelijk van de vlieghoogte.

◄ RT9100.

De zendfunctie van de radio's wordt geactiveerd door het bedienen van de Push To Talk (PTT)-schakelaar op de hoofd- en handtelemicrofoon.

Bij het FM9000 radiosysteem behoren ook:

► Afstands Bedienings Uitrusting (ABU);
► intercomsysteem (Signal On board Two-wire Audio System, SOTAS);
► interfacekabel GPR-9000 volgens STANAG 4448: Technical standards for non-secure voice interoperability of very high frequency (VHF) combat net radios (CNR) by use of common interface radio adapter devices.

RT9600 ►

GPR-9000

De GPR-9000 kan de FM9000 aan buitenlandse radiosystemen koppelen, waardoor beide radionetten digitaal kunnen werken.

De interface krijgt zijn voeding van de FM9000.

Een voorbeeld is de koppeling tussen de FM9000 en de Sender/Empfšnger Mobil (SEM) van de Duitse Bundeswehr, met name de SEM-93, met behulp van de GPR-9000.

De SEM-93 van Thales heeft in grote lijnen dezelfde mogelijkheden als de RT9500, zoals frequency hopping, en kan als enige in de SEM-familie crypto-beveiligd werken. COMSEC-informatietransmissie tot rubriceringsniveau NATO Secret is mogelijk.

Zie ook: Harris HF7000, KL-VSAT, Multitel, Personal Role Radio (PRR) en radiotelefonieprocedure.

Terug naar Boven

 

F.O.D.

Betekenis: Foreign Object Damage. Ook genaamd: Foreign Objects and Debris.

Beschadiging van helikopters en vliegtuigen door rondslingerende ‘vreemde lichamen’ (zwerfafval). Rondzwervend vuil is fataal voor de inlaat van helikopter- en vliegtuigmotoren. Door het aanzuigen van harde objecten leidt het tot motorstoringen en –uitval, wat levensbedreigende situaties veroorzaakt.

FOD-cleaning is verplicht in het kader van de grondveiligheid (hangars, platformen, start- en landingsbanen, overige verhardingen). Daartoe wordt op vliegdekschepen en vliegvelden regelmatig een zgn. “FOD-walk” gehouden, waarbij rondslingerend zwerfafval – bijvoorbeeld gereedschap, karton, metaalstukken, onderdelen en papier) worden verwijderd.

FOD kan ook bestaan uit niet stevig vastgemaakte kleding- en uitrustingsstukken die bij het in- en uitstijgen van transporthelikopters in motorinlaten en rotorbladen terechtkomt.

Zie ook: brown out, downwash, huddle en white out.

Terug naar Boven

 

FOG OF WAR

Oorlogsmist; vaak tegengestelde of foutieve gevechtsveldinformatie en niet te sturen externe invloeden; frictie. Duits: Nebel des Krieges. Frans: brouillard de guerre).

In zijn magnum opus ‘Vom Kriege’ (eerste deel, eerste boek 'Über die Natur des Krieges', hoofdstuk acht 'Schlußbemerkungen zum ersten Buch', 1832) noemt de Pruisische strateeg Carl von Clausewitz het “Gesamtbegriff einer allgemeinen Friktion”. Daarmee vatte hij de beperkte (fysieke) belastbaarheid van soldaten samen die onderworpen zijn aan vaak tegengestelde of foutieve gevechtsveldinformatie en niet te sturen externe invloeden. Von Clausewitz zelf heeft de formulering echter nooit gebruikt.

Tegengestelde of foutieve gevechtsveldinformatie leidt tot gebrek aan - (near) real time - informatie op het gebied van vijandelijke capaciteiten en plannen, maar ook tot de chaos onder eigen troepen. In de regel is chaos het gevolg van procedurele en/of technische fouten. Een verkeerde interpretatie van een bevel kan friendly fire zijn of een konvooi dat een verkeerde afslag neemt en in een hinderlaag rijdt.

Computer- en satellietgestuurde informatietechnologie kan het probleem slechts deels oplossen. De vijandelijke omgeving is pas écht inzichtelijk gemaakt als de vijandelijke strijdkrachten permanent door eyes on target (sensoren) worden waargenomen.

Menselijke beperkingen, onzekere informatie en non-lineariteit (emergentie* en inconsequentie) blijven hoe dan ook structurele eigenschappen van oorlogvoering. Bij gebrek aan informatie over de tegenstander, kan de commandant bijvoorbeeld aarzelen te handelen uit vrees voor een mislukking; hoewel iets moet worden gedaan om het initiatief te behouden, verlamt de onzekerheid de commandant en leidt tot inactiviteit.

* Spontaan optredende uitwas. Gevolg van, in toenemende mate, complexe georganiseerde systemen.
 

“[…] de fog of war, de chaos van de oorlog. Deze ontstaat tengevolge van combinaties van stress, herrie, vermoeidheid, onzekerheid, verwarring, beperkte, niet-accurate en tegenstrijdige informatie en misleiding, die eigen zijn aan oorlogvoering. Informatietechnologie kan dit probleem deels oplossen. Zo kunnen gecodeerde elektronische bakens en nummerborden een vriend-vijand-identificatie mogelijk maken. Maar het uitschakelen van de menselijke factor in een oorlog is onmogelijk.”

Bron: ‘Doden door eigen vuur inherent aan oorlog’, generaal-majoor der mariniers b.d. Kees Homan

de Volkskrant, 16 januari 2008

Zie ook: frictie en friendly fire.

Terug naar Boven

 

FOLLOW-ON FORCE

Letterlijk: opvolgende strijdmacht. Duits: nachfolgende Kršfte. Frans: deuxiŤme echelon; force d’exploitation et de remplacement.

Strijdmacht die bij een operatie niet direct nodig is om een aanval of inzet te initiŽren maar wel om de eerste troepen in een later stadium te kunnen aflossen om voortzettingsvermogen van de operatie te garanderen. Zo'n strijdmacht opereert niet als initial entry force (IEF), maar faciliteert de aanval of inzet in aansluiting op eenheden van de IEF.

Indien de follow-on force de IEF – die de weg voor de overige troepen heeft geplaveid – heeft afgelost, kan bijvoorbeeld een doorbraak in de diepte worden voortgezet. Dit is noodzakelijk, aangezien een IEF in de regel een beperkte logistieke zelfstandigheid kent.

Terug naar Boven

 

FOLLOW-ON FORCES ATTACK

Afgekort: FOFA. Duits: Angriff auf die nachfolgenden Streitkršfte. Frans: attaque des forces d'exploitation et de remplacement.

In 1984 keurde het Defence Planning Committee van de NAVO de Long Term Planning Guideline van de FOFA goed. Deze was ontwikkeld op initiatief van de toenmalige SACEUR, de Amerikaanse generaal Bernard W. Rogers.

Doel van de FOFA was het vertragen en verdunnen van het vijandelijke gevechtsveld in de diepte door de tweede aanvalsgolf uit te dunnen en te vertragen. De NAVO moest op deze wijze reageren op de numeriek superieure, conventionele Warschau Pact-strijdkrachten (tanks, artillerie en manschappen).

De Koude Oorlog-doctrine van de NAVO, die het gedachte strijdverloop tegen het Warschau Pact na een initiële aanval omvatte, is tot 1990 aangehouden. De tweede en volgende aanvalsechelons (follow-on forces) in de opmars, zoals tankcolonnes, mobiele commandoposten en staging areas, moesten tot 500 km in de diepte worden aangegrepen. Ook bruggen en verkeersknooppunten in het achtergebied moesten met luchtaanvallen worden vernield. Koste wat kost moest voorkomen worden dat na de initiŽle aanval de vijandelijke follow-on forces de eigen frontlinie zouden kunnen bereiken.

De NAVO-aanname was dat haar conventionele voorste verdediging kon standhouden na een initiŽle aanval van het Warschau Pact in de Central Region. In West-Duitsland, begrensd door Oost-Duitsland en Tsjechoslowakije, zou in de Fulda Gap het zwaartepunt van de Warschau Pact-troepen planmatig samentrekken. Het was echter evengoed aannemelijk dat de NAVO-troepen zouden worden overlopen door de snelle opeenvolging van versterkingen (follow-on forces) op het gevechtsveld. De troepen van het Warschau Pact zouden de verzwakkingen van de tegenpartij onmiddellijk uitbuiten.

Terug naar Boven

 

F.O.M.E.C.B.L.O.T.

Franstalig ezelsbruggetje (mnemotechnisch woord) voor de basisprincipes van camouflage:

F

Fond

Basis

Forme

Vorm

O

Ombre

Schaduw

M

Mouvement

Beweging

E

Éclat

Glans

C

Couleur

Kleur

B

Bruit

Geluid

L

LumiŤre

Licht

O

Odeur

Geur

T

Trace

Sporen

Zie ook: camouflage, disruptive pattern material (DPM) en tenuen.

Terug naar Boven

 

FOOTPRINT

Letterlijk: voetafdruk.

1

De hoeveelheid middelen die fysiek aanwezig is, bijvoorbeeld op de locatie waar een eenheid is ontplooid of in het vliegtuig waarmee middelen worden vervoerd.

Hoewel aan alle ontplooide middelen - zoals reservedelen, transportcapaciteit en voorraden - blijkbaar operationeel behoefte is, nemen die ook ruimte in beslag.

Een uitkomst voor een minimale logistiek footprint in het inzetgebied, is het laten afnemen van de hoeveelheid middelen, waardoor de omvang van de logistiek afneemt.

Daarbij moet in acht worden genomen dat tezelfdertijd de mogelijkheid om activiteiten te genereren (capabilities) moet worden behouden.

Dit is bijvoorbeeld mogelijk door de omvang en/of het gewicht van te vervoeren expeditionaire middelen en/of eenheden zo beperkt mogelijk te houden ('reduced footprint').

Het lijkt met elkaar in tegenspraak: omdat bepaalde personele en/of materiŽle middelen niet in het inzetgebied aanwezig zijn, verbeteren de mobiliteit en strategische reactiesnelheid. Een 'reduced footprint' heeft consequenties voor de operationele effectiviteit en efficiŽntie:

► verminderde instandhoudingcapaciteit in het inzetgebied.
► verbeterde tooth-to-tail-ratio.

 

2

Reikwijdte.

De afstand tussen het nog door eigen troepen beheerst gebied en het inzetgebied.

Zo is de footprint van een air manoeuvre eenheid afhankelijk van het uiterste vliegbereik van de transporthelikopters die nodig zijn voor het laten ontplooien van de infanterie.

Daarbij is de actieradius van de helikopter niet alleen randvoorwaardenscheppend maar zelfs bepalend voor het kunnen bereiken van de meest gedisloceerde inzetlocatie van de lichte infanterie.

Om de footprint in het inzetgebied te vergroten (en de omlooptijden te verkorten) kunnen tussengelegen locaties worden ingericht waar de helikopters kunnen bijtanken, zoals een Forward Arming and Refuelling Point (FARP) of een Forward Operating Base (FOB).

Zie ook: Air Manoeuvre Brigade (11 Luchtmobiele Brigade), capability - capacity, expeditionair, Forward Arming and Refuelling Point (FARP), Forward Operating Base (FOB), lichte infanterie, logistiek en tooth to tail ratio (T3R).

Terug naar Boven

 

FORCE ACCEPTANCE

Aanvaarding door de (lokale) bevolking van de aanwezigheid van de strijdmacht van een vreemde mogendheid. Er is een duidelijke relatie tussen force protection, Civil and Military Co-operation (CIMIC) en force acceptance.

Force Acceptance maakt CIMIC mogelijk. Het geeft een signaalfunctie af van de burgerbevolking aan de internationale gemeenschap dat de voorwaarden geschapen zijn voor het proces van wederopbouw.

Zie ook: CIMIC en force protection.

Terug naar Boven

 

FORCE GENERATION

Afgekort: ForGen. Duits: Streitkršfteaufwuchs. Frans: constitution de forces; constitution d'une force. Nederlands: gereedstellingstaak; legervorming (verouderd).

Voorgeschreven procesgang (Force Generation Process) voor het samenstellen, gereedstellen en leveren van troepen (fysieke component), waardoor bruikbare gevechtskracht voortgebracht en voortgezet kan worden.

Force Generation binnen de gestelde gereedstellings- en voorbereidingstijden kan pas worden gerealiseerd als de personele en materiŽle behoeften van de strijdmacht geheel zijn vervuld, zoals individuele en collectieve militaire opleiding en training (O&T) en de opbouw van reserves. Normaliter komen alleen eenheden die operationeel gereed (OG) zijn, voor het proces van force generation in aanmerking.

Tijdens het ontwikkelen van het operationeel plan (OpPlan) stellen de aan een operatie (EU, NAVO, VN of anderszins) deelnemende landen op basis van het Force Generation Process, en conform nationale (politieke en/of militaire) overwegingen, operationele capaciteiten (eenheden en middelen) ter beschikking. De uitkomst van het Force Generation Process beÔnvloedt dan ook het OpPlan. Nadat het OpPlan gereed is, stemmen de deelnemende landen in met de Activation Order (ActOrd). In de regel worden de eenheden vervolgens onder bevel gesteld van een multinationale strijdmacht.

De beraadslagingen over de samenstelling van en samenwerkingsverbanden binnen een coalitie verlopen gecoŲrdineerd. Voor de inzet van de EU Battle Group en de NATO Response Force tijdens een crisis, wordt het Force Generation Process overgeslagen. Door deze tijdwinst valt een besluit eerder en kunnen de te leveren eenheden sneller worden ingezet.

Terug naar Boven

 

FORCE MULTIPLIER

Duits: Mittel zur Erhöhung der eigen Kampfkraft. Frans: multiplicateur de forces. Letterlijk: gevechtskrachtverveelvoudiging.

Factor (activiteit of middel) die, wanneer deze wordt toegevoegd aan en gebruikt door een strijdmacht, wezenlijk bijdraagt aan de versterking van de gevechtskracht en op deze manier een succesvolle voltooiing van de opdracht waarschijnlijker maakt.

Vaak leidt integratie, bijvoorbeeld van tactieken of wapensystemen, tot synergie: het effect van twee of meerdere factoren is groter dan de som van de effecten die elk van de factoren alleen zou teweegbrengen.

Door een force multiplier loopt de gevechtskracht op: verveelvoudiging heeft betrekking op middelen binnen de strijdmacht of op externe factoren, zoals media en weer & terrein. Soms is een factor onder verschillende omstandigheden al dan niet van toepassing.

Door de toegevoegde waarde, waardoor effectiever en efficiŽnter kan worden opgetreden, kunnen taken uit handen van de strijdmacht worden genomen (bijvoorbeeld private military companies), zodat die zich kunnen bezighouden met hun core-business.

air refuelling

elektronische oorlogsvoering (EOV)

geniesteun

gezondheidszorgsysteem

informatie & inlichtingen

luchtmobiliteit

media

opleiding & training

private military companies ( PMC's)

sluipschutters

Special Forces

technologie (hightech)

terrein & weer (O.T.V.O.E.M. en H.N.B.W.V.)

vuursteun

Terug naar Boven

 

FORCE PROTECTION

Afgekort: FP. Alle actieve en passieve beschermingsmaatregelen en middelen die nodig zijn om de kwetsbaarheid van eigen militair en burgerpersoneel, inclusief familieleden, faciliteiten, infrastructuur, installaties, kritieke informatie, materieel en operaties te verminderen en daarmee zowel de vrijheid van handelen (gevechtskracht, crisisbeheersingsvermogen) als de operationele effectiviteit van de eigen troepen te behouden.

Force protection, die de veiligheid van het eigen personeel waarborgt, is op alle niveaus een command responsibility (commandantenverantwoordelijkheid).

De beschermingsmaatregelen moeten gepland en geïntegreerd worden toegepast. De NAVO hanteert een Force Protection Directive (80-25), die uitgaat van een vierdeling in FP:

Protective Security (beschermingsveiligheid; voorkomen dat de tegenpartij een aanval uitvoert)

►Contra-inlichtingen
►Operationele veiligheid (Operational Security, OpSec)
►Synchronisatie van de tactische, operationele en strategische inlichtingen
►Verkenningsparty

Active Defence (actieve verdediging, o.a. fysiek bewaken)

►Aanwezigheid en zichtbaarheid in het inzetgebied
►Beveiliging van de eigen troepen (compounds, bunkers, dekkingen, waarnemingstorens)
►Evacuatie (exit-strategy)
►Persoonlijke beschermingsmaatregelen (wapens)
►Reactie op actie (provocaties e.a.) tegen de eigen troepen
►Verkrijgen en behouden van fysieke en mentale mobiliteit in het inzetgebied

Passive Defence (passieve verdediging, o.a. beschermen tegen CBRN/NBC-wapens)

►Afspreken en beoefenen van procedures in het kader van FP
►Beveiligen colonnes, konvooien en overige transporten
►Persoonlijke beschermingsmaatregelen (pantservoertuigen, helm, scherfwerend vest, CBRN-masker)

Recuperation (Herstel)

►Beëindigen van de gevaren na een aanval, b.v. door de inzet van EOD, I.E.D. of mijnen
►Medical awareness, zowel militair als civiel (Host Nation Support , NGO's)

Onder FP vallen niet de maatregelen om de opponent te verslaan, noch de maatregelen die genomen moeten worden tegen ongevallen of ziekte.

FP begint met het bevorderen van zelfvertrouwen en uitstraling bij de eigen troepen: de individuele militair van de eigen troepen bepaalt - of doet in elk geval voorkomen dat hij bepaalt - wat er gebeurt, niet de tegenpartij."We're your best friend, but your worst enemy". Luitenant-kolonel Richard van Harskamp, commandant 42 (NL) Battle Group SFIR-III in Irak zei hierover: "Als dat lukt, heb je driekwart van je zelfbescherming al binnen".

Force Protection in het algemeen:

►is een zaak van iedereen, vierentwintig uur per dag, zeven dagen in de week (24/7)
►is dynamisch en flexibel van karakter
►dient ononderbroken te worden aangepast aan de omgeving waarin wordt opgetreden
►is van groot belang voor het welslagen van een missie
►mag vooral niet contraproductief zijn: een te hoge graad van FP (b.v. te defensief, om personele verliezen en/of materiŽle schade bij de eigen troepen te voorkomen) kan gemakkelijk bijdragen aan een verslechtering van de FP

Het belang van FP wordt groter als in de commital area - waar het gevecht plaatsheeft - de dreiging en risico's groot zijn of snel groter kunnen worden. Idealiter is FP, met een gespecialiseerd stafofficier of cel, vanaf brigadeniveau geÔntegreerd in de secties G3 (Current) of G5 (Plans).

Zie ook: command responsibility (commandantenverantwoordelijkheid).

Terug naar Boven

 

FORCES OF LOWER READINESS

Afgekort: FLR. De FLR bestaan voor het grootste deel uit eenheden die geschikt zijn om binnen 90 tot 180 dagen de High Readiness Forces (HRF) te versterken bij grootschalige operaties in het kader van artikel 5 van het Handvest van de NAVO (Collective Defense Operations).

Ook kunnen de FLR worden ingezet voor de rotatie van eenheden om zowel continuÔteit als voortzettingsvermogen te garanderen bij de inzet in non-artikel 5-operaties (Crisis Response Operations).

De indeling van de gereedheidstermijnen binnen de NAVO is:

NOTICE TO MOVE

HRF

High Readiness Forces

< 90 dagen

FLR

Forces of Lower Readiness

90 tot 180 dagen

LTBF

Long Term Build-up Forces

> 365 dagen

Zie ook: High Readiness Forces (HRF) en Long Term Build-up Forces (LTBF).

Terug naar Boven

 

FORMATIE (TAAKORGANISATIE)

Großverband formation formation.

Taakorganisatie vanaf brigadeniveau, onder eenhoofdige leiding (commandant en staf) en met een gezamenlijke opdracht. Ook een taskforce is een taakorganisatie van formatiegrootte, in de Nederlandse context ter grootte van een brigade.

Een formatie:

► groepeert diverse gevechtseenheden, samen met een specifiek commando-element en specifieke gevechtssteun-, gevechtsverzorgingssteun- en commandovoeringssteuneenheden;

► is gevechtsgereed;

► is noodzakelijk om met de moderne, complexe operatieomgeving te kunnen omgaan. Het commando-element moet voldoende uitgerust zijn om aan de eisen van hedendaagse Joint, Interagency, Multinational and Public (JIMP) operaties te kunnen voldoen;

► vereist een grotere staf dan eenheden onder het niveau van de formatie, ter ondersteuning van het besluitvormings- en bevelvoeringsproces, met als doel dat de commandant zich met hoofdzaken kan bezighouden en kan zijn waar hij het gevecht beslissend kan beÔnvloeden).

Zie ook: functionele indeling van eenheden, grootte van eenheden, joint (JIMP) en taskforce.

Terug naar Boven

 

FORMATIE (VERPLAATSINGEN TE VOET)

In het kader van verplaatsingen te voet, bijvoorbeeld een gevechts- of verkenningspatrouille, kan een commandant afhankelijk van opdracht en omstandigheden, kiezen uit verschillende soorten in te nemen formaties:

SOORT

GEBRUIK

VOORDEEL

NADEEL

Colonne met enen

Duisternis
Slecht zicht
Smalle paden
Bossen

 

Eenvoudig leiding geven
Eenvoudig overgaan in andere formaties

Geringe vuurkracht in front
Kwetsbaar voor vuur op de lengte van de formatie

Colonne met tweeŽn

Aan beide zijden van de weg ter verbetering van de waarneming op de flanken

 

Eenvoudig leiding geven
Goede waarneming
Goede rondombeveiliging

Geringe vuurkracht in front

Ruitformatie

Zelfstandig optreden bij vijandelijk optreden vanuit alle richtingen

Waarneming naar alle flanken
Vuuruitwerking naar alle flanken
Uitwerking vijandelijk vuur gering

Moeilijker leiding geven
Behouden van zowel formatie als richting moeilijk
Doorgifte van informatie moeilijk

 

Verspreide formatie

Oversteken van wegen en open terrein(delen)

Maximale vuurkracht in front
Uitbuiting terrein(delen) in de breedte

Moeilijker leiding geven
Geringe vuurkracht op de flanken

Terug naar Boven

 

FORT VECHTEN

Ook genaamd: Fort bij Vechten.

Rond het jaar 5 na Christus ontstond ten noorden van het huidige oord Houten, op de locatie waar nu nog het Fort Vechten staat, de Romeinse legerplaats/vlootbasis Fectio.

Fectio was deel van de noordgrens van het Romeinse Rijk, van oost naar west langs de Rijn bestaand uit Carvo (Kesteren), Mannaricium (Maurik), Levefanum (Rijswijk), Fectio (Vechten), Trajectum (Utrecht) en Laurum (Woerden). De Rijn stroomde ruwweg waar nu de snelweg Utrecht-Arnhem (A12) loopt. De Romeinen roeiden in galeien vanuit Fectio via de Utrechtse Vecht, het Flevomeer en de Friese meren naar de monding van de Eems.

Fort dat tussen 1867 en 1870 ten zuidwesten van het oord Bunnik, provincie Utrecht, is gebouwd. Het fort had vrijwel dezelfde taak als het Fort Rijnauwen: het afgrendelen van de Houtense vlakte en het bestrijken van de spoorlijn Arnhem-Utrecht. Het terrein van het fort meet 17 hectare en is na Fort Rijnauwen het grootste fort van de roemruchte Nieuwe Hollandse Waterlinie: van Muiden tot de Biesbosch liep een gebied dat grotendeels onder water kon worden gezet bij het naderen van de vijand.

De forten moesten de overgebleven wegen en hoger gelegen gebiedsdelen onder schot houden. In 1879-1881 werd het fort verbeterd met een bomvrije kazerne en remises. Sinds 1996 wordt het fort beheerd door Staatsbosbeheer, evenals andere delen van de verdedigingslinie tussen het IJsselmeer en Brabant.

Op 7 mei 2008 werd Fort Vechten voor het eerst in haar geschiedenis ‘aangevallen’, nadat de Nederlandse krijgsmacht er driemaal gemobiliseerd was geweest, de laatste maal in mei 1940.

Het fort was het toneel van de oefening TBILISI CHALLENGE, waarin personeel van 11 Luchtmobiele Brigade werd klaargestoomd voor de uitzending naar Uruzgan. In de ochtend dropten enkele helikopters ten zuiden van het fort Ī 60 militairen.

◄Animatie van de 'aanval' op Fort Vechten, de eerste in ruim 140 jaar (Foto’s Aneo Koning).

Onder zware beschietingen staken zij in rubberboten de fortgracht over. Op het terrein moesten zij een OPFOR van Ī 15 militairen (verdacht persoon met handlangers) overmeesteren. Doel van de oefening was het aanhouden van verdachten en het opsporen van handlangers.

Terug naar Boven

 

FORWARD AIR CONTROLLER

Afgekort: FAC'er. De FAC'er praat, tijdens zowel groen als blauw operationeel optreden, vanuit een positie waar hij overzicht heeft de vlieger van een gevechtsvliegtuig over de radio letterlijk op het doel (“talk on”).

De FAC'er is voornamelijk bij lichtbewapende eenheden te vinden - 11 Air Manœuvre Brigade, Korps Commandotroepen en Korps Mariniers - maar sinds 2001 ook organiek ingedeeld bij de Gemechaniseerde Brigades. FAC'ers waren van oorsprong vaak officier-verkenners, maar tegenwoordig zijn FAC'ers juist ook onderofficieren van infanterie en cavalerie.

Links een Britse, rechts een Amerikaanse Forward Air Controller.

Luchtsteun tijdens Close Air Support (CAS) kan het ontbreken van tanks en artillerie compenseren. Van origine fungeren de Forward Air Controllers als artilleriewaarnemers die vijandelijke stellingen observeren voor artillerie- en / of mortiervuurgeleiding.

De Nederlandse FAC'er wordt opgeleid op het Opleidingscentrum Grond-Lucht Samenwerking (OCGLS) in Schaarsbergen - het opleidingscentrum voor de derde dimensie. Opleidingen tot FAC'er kunnen bijvoorbeeld eveneens worden gevolgd in Duitsland (Fürstenfeldbruck) op de Internationalle FAC-Ausbildung of in Finningley (Groot-Brittannië). Na een aantal geslaagde missies te hebben gedaan zijn de FAC'ers "limited combat ready". Daarna voert de FAC’er meer missies uit om volledig "combat ready" te worden.

De FAC'er is normaliter op maximaal 1 ŗ 2 km van de target (doel) verwijderd, waar hij de coŲrdinaten en een beschrijving van de target doorgeeft aan de piloot van het gevechtsvliegtuig. Omdat het erom gaat dat de FAC'er een goed overzicht heeft van de situatie ter plaatse, kan dit ook vanaf een andere afstand.

Het is van belang dat CAS zo nauwkeurig wordt gedirigeerd dat de eigen troepen (friendly fire) noch burgerdoelen (collateral damage) worden geraakt. Daarvoor staat hij in direct contact met de vliegers, die zich ver van het gebied ophouden in afwachting van de noodzaak tot CAS.

Zie ook: vuuraanvraag.

Terug naar Boven

 

FORWARD ARMING AND REFUELLING POINT

Afgekort: FARP. Ook genaamd: helikopter-logistiekgebied. Duits: vorgeschobener Aufmunitionier- und Auftankpunkt.

GeÔmproviseerde, tijdelijke en zo klein mogelijke positie in de Area of Operations (AO) waar gevechts- en/of transporthelikopters van gevechtsverzorgingssteun – met name brandstof (klasse IIIA) en/of munitie (klasse V) – worden voorzien. Een FARP wordt ingericht onder de voorwaarde dat luchtgemechaniseerd (air mechanised) optreden niet vanuit een Staging Area kan worden ondersteund.

Schematische weergave van de SA (Staging Area), met daarbij FARP (Forward (Arming and) Refuelling Point), FRP (idem, maar zonder herbewapening), FOB (Forward Operating Base), VLET (voorste lijn eigen troepen) en AO (Area of Operations).

Op een FARP wordt de afhandelingstijd – de periode tussen aankomst en vertrek van de helikopters – zo kort mogelijk gehouden, aangezien een helikopter op de grond het meest kwetsbaar is. Het aanvullen van de boordmunitie, aftanken en be- en ontladen dient a.s.a.p. te gebeuren.

Wanneer de afstand tussen Staging Area (SA) en AO meer is dan 150 km, wordt in beginsel een FARP of FOB ingericht. Afhankelijk van de vijand- en terreinsituatie worden de ingezette eenheden in de AO over de grond (grondgebonden FARP) en/of door de lucht (luchtmobiele FARP) logistiek ondersteund. In beide gevallen is de FARP-commandant niet tevens commandant van een helikoptereenheid. Een forward refuelling point (FRP) wordt alleen voor transporthelikopters ingericht.

Soort FARP

Locatie

Herbevoorrading

Grondgebonden FARP

Tenminste 30 km achter de voorste lijn eigen troepen (eigen troepen-zijde).

Over de weg vanuit de forward operating base (FOB)

Luchtmobiele FARP

In niet door eigen troepen beheerst dan wel vijandelijk gebied (vůůr de voorste lijn eigen troepen).

Herbevoorrading vindt plaats met behulp van transporthelikopters.

De luchtmobiele grondcomponent (fysieke beveiliging door zorg van infanterie en draagbare luchtverdedigingssystemen) én transporthelikopters scheppen op een FARP de randvoorwaarden. Door het uitbrengen van een FARP wordt het bereik van de gevechtshelikopters vergroot.

Bij een FARP is in principe een geneeskundige afvoerploeg met een Algemeen Militair Verpleegkundige ingedeeld.

Zie ook: forward operating base (FOB), peljob (mini-bouwmachine) en Staging Area (SA).

Terug naar Boven

 

FORWARD DEFENCE

Duits: Vorneverteidigung. Frans: dťfense avancťe; dťfense de l'avant; dťfense en avant.

Nederlands: voorwaartse verdediging (vw verd).

Strategisch NAVO-concept tijdens de Koude Oorlog. Forward Defence was gebaseerd op 'The Strategic Concept for the Defense of the North Atlantic Treaty Area' (Military Committee 3/5), het eerste strategisch NAVO-concept dat op 3 december 1952 door de Noord-Atlantische Raad werd aangenomen. Mede door de komst van tactische kernwapens werden deze veranderingen doorgevoerd.

Met de goedkeuring van het strategisch concept van de Massive Retaliation, 'Overall Strategic Concept for the Defense of the NATO Area' op 23 mei 1957, verloor de Forward Defence haar geldigheid.

De Forward Defence - centraal gepland ťn aangestuurd - voorzag het stuiten van een vijandelijke invasie zo dicht mogelijk aan de oorspronkelijke Line of Contact (LC) - de grens van het verdragsterritoir met het Warschaupact - om belangrijk bondgenootschappelijk gebied te beschermen.

In de praktijk zou de voorwaartse verdediging zo ver mogelijk naar het oosten moeten plaatsvinden, waarbij het verdedigend gevecht in het voorste deel van het toegewezen vak diende te worden gevoerd. Zo dicht mogelijk bij de voorste rand van het weerstandsgebied moesten de opeenvolgende aanvalsgolven:

1

door parate eenheden in het vertragend gevecht worden opgevangen;

2

door parate en snel te mobiliseren eenheden definitief tot staan worden gebracht;

3

met een grootschalige tegenaanval worden vernietigd of tenminste tot overgave gedwongen, al dan niet gesteund door de inzet van tactische kernwapens, en de status quo worden hersteld.

De verschillende legerkorpsen van de NAVO hadden, naast elkaar gelegen en op korte afstand van het IJzeren Gordijn, elk hun eigen weerstandsgebied. Elk legerkorps werd geacht zichzelf te verdedigen. Kanttekeningen hierbij waren dat operationele reserves pas na weken beschikbaar zouden zijn en het, vooral om politieke redenen, niet was voorzien dat substantiŽle diepte, d.w.z. meer dan 25 ŗ 30 km, zou worden prijsgegeven.

Omdat de taken van de Nederlandse krijgsmacht direct uit de geldende NAVO-verplichtingen zijn afgeleid, was de Forward Defence ook van belang voor de Nederlandse landsverdediging. Na de toetreding van de Bondsrepubliek Duitsland tot de NAVO in 1955, werd 1 Legerkorps (1 LK) aangewezen om de vakverdediging op de Noord-Duitse laagvlakte op zich te nemen. Eenheden van de Koninklijke Landmacht werden vanaf 1963 onafgebroken in Noord-Duitsland gelegerd, met allereerst 41 Panterbrigade op de Legerplaats Seedorf en daarna meer eenheden.

Het operatiegebied van 1 LK was zo'n 130 km breed en 170 km diep, wat oppervlakte betreft ruim viermaal die van de grootste Nederlandse provincie (Gelderland) en bestreek de rechtstreekse nadering tot het Nederlandse grondgebied. Uiteindelijk waren voor de vakverdediging in vredestijd zes brigades (30.000 militairen, waarvan 5.000 in Duitsland) gedeeltelijk paraat in het vak gelegerd. In oorlogstijd moest het vak van 1 LK door tenminste tien brigades worden verdedigd, in totaal 80.000 militairen.

Onder verantwoordelijkheid van Minister van Defensie Piet de Jong verscheen de Defensienota 1964. Hierin werden Forward Defence, Flexible Response en Getrapte Deterrent voor het Nederlandse publiek ten doop gehouden. In het geval van een grootscheepse aanval uit het oosten zou de NAVO met een bij de aard van de aanval passend antwoord (getrapt) reageren, met als laatste redmiddel het gebruik van nucleaire wapens.

Uiteindelijk besefte de NAVO dat een te strikte toepassing van de Forward Defence zou leiden tot een relatief starre, lineaire verdediging, die gemakkelijk doorbroken werd. Hiermee was de noodzaak van flexibeler optreden onderkend. Een andere operationeel nadeel was dat actie van de NAVO altijd een reactie op de agressor zou zijn, waarmee het initiatief in eerste instantie bij de vijand lag.

Zie ook: 1 Legerkorps, Fulda Gap, Koude Oorlog, Legerplaats Seedorf, NAVO, verdedigend gevecht, vertragend gevecht en voorste rand weerstandsgebied.

Terug naar Boven

 

FORWARD OPERATING BASE

Afgekort: FOB. Duits: vorgeschobene Operationsbasis. Engels: combat outpost (USA). Frans: base d'opťrations avancťe (BOA). Nederlands: vooruitgeschoven (operatie)basis.

Een FOB is een gedisloceerd/decentraal, voorwaarts gelegen, semi-permanent ondersteuningspunt in het gebied (AO/AOR) van een grondgebonden operatie, dat noodzakelijk is om gedurende een langere periode een deel hiervan te kunnen bestrijken om tactische operaties te ondersteunen.

Vanaf de zomer van 2006 beschikte de Task Force Uruzgan (TFU) in Afghanistan over de Forward Operating Base Volendam. FOB Volendam lag, noordelijk van Camp Hadrian in Deh Rawod, op een hoger gelegen terreindeel in de nabijheid van ťťn van de vele bergruggen die Uruzgan rijk is.De andere FOB's ten tijde van de TFU waren Chora en Poentjak.

Omdat een FOB de beweging in het operatiegebied vergemakkelijkt, vergroot de footprint (operationeel bereik) van de strijdmacht.

Wanneer de operatie langere tijd duurt en de FOB langer operationeel moet blijven, kan de doorgaans (zeer) primitieve, sobere locatie worden uitgebreid en/of verbeterd tot een meer permanent karakter.

Uit operationeel oogpunt kan worden gekozen voor het ontplooien van ťťn of meer FOB's in de diepte van het inzetgebied:

►vanwege ongunstige terreinomstandigheden die het niet mogelijk om als eenheid vanaf ťťn locatie - Main Operating Base - te opereren;

►omdat het inzetgebied te uitgestrekt is en daardoor de (logistieke) omloop- en reactietijden te groot worden;

►om tactische operaties ondersteunen zonder het ontplooien van een tweede Main Operating Base

In de regel wordt een FOB gebruikt op pelotons- tot en met compagniesniveau.

Een FOB kan ook worden gebruikt als uitvalsbasis, bijvoorbeeld om in zeer korte tijd parate troepen ter versterking te kunnen uitbrengen. Ten behoeve van operaties van Special Forces wordt een FOB vaak ingericht op een verlaten vliegveld of een in onbruik geraakte landingsbaan.

Kenmerken van een FOB:

►Beperkt self supporting (zelfvoorzienend) voor wat betreft force protection, logistiek en command & control (C2).

►Bevoorrading en het voorraadbeheer zijn afhankelijk van de gekozen vorm van logistieke ondersteuning, maar in principe push en door de lucht.

►Gelegen in de as van beweging van de operatie.

►Ingericht in de periferie van het gebied (AO/AOR).

►Mogelijkheid om van hieruit luchtmobiele of luchtgemechaniseerde operaties naar of in vijandelijk gebied uit te voeren; FOB idealiter geschikt als bevoorradingsdump, in het bijzonder van klasse III en V, voor helikopters (FARP). Hierbij fungeert de FOB als ‘springplank’ voor de helikopters. Ook een cross FLOT (X-FLOT) locatie is denkbaar.

►Mogelijkheid tot het verlenen van eerste hulp aan eigen troepen of evacuťs.

►Ondersteuning door een Main Operating Base is noodzakelijk als back-up voor de logistieke instandhouding.

►Vanuit de FOB worden verschillende missies/scenario's uitgevoerd, zoals patrouilles en speciale operaties.

►Zelf op te bouwen dan wel met hulp van de genie.

Terug naar Boven

 

FOSFOR

Phosphor.
phosphorus.
phosphore.

Afgekort: fg.

Fosfor is een pyrotechnisch mengsel dat voor militaire toepassingen wordt gebruikt in rookprojectielen: brandbommen, handgranaten, lichtkogels, lichtspoormunitie, rookgranaten en springrookgranaten. De verspreidingslading doet het rookprojectiel springen waardoor de fosforpartikels worden verspreid.

De meest gebruikte verschijningsvorm van fosfor is witte fosfor (white phosphorus, WP): een kleurloze tot geelachtige substantie met een sterke geur van (knof)look.

De belangrijkste eigenschap is dat WP spontaan zelf ontbrandt bij aanraking met zuurstof. Daarbij komt veel hitte en witte rook vrij.

Zo kan WP drie tot vier dagen in de sneeuw liggen en alsnog tot ontbranding komen. Een nadeel van fosfor is dat de fosforpartikels lang actief blijven en het eigen gebruik van het gebied beperken.

Militair gebruik van fosfor:

Brandstichten

Secundaire taak van rookprojectielen. Houd rekening met het ontstaan van bosbranden (gevaar voor eigen eenheden).

Markeren

Vuur bestaande uit een enkel schot of een laag schoten, bestaande uit (gekleurde) rook, fosfor of licht, waarmee een doel wordt aangegeven. Kan ook worden gebruikt voor vuurcorrectie (inschieten) of doelaanduiding (FAC'er).

Materiaal vernietigen

Zowel van de vijand als van eigen troepen (in geval van achterlating).

Rook op doel

Rookprojectielen die op een vijandelijke opstelling of verplaatsende eenheid worden afgevuurd om de coŲrdinatie- en waarnemingsmogelijkheden te beperken. Indien de vijand beschikt over helderheidversterkers en/of infraroodapparatuur heeft fosfor prioriteit boven ‘conservatieve’ rookgranaten (HC). Vergt minder munitie en coördinatie dan een rookscherm.

Rookscherm (rookgordijn)
leggen/optrekken

Een serie rookwolken op een bepaalde (onbewoonde) locatie leggen om eigen of vijandelijke opstellingen en bewegingen te maskeren. Vergt een grote hoeveelheid munitie.

Verblinden van optische/
optronische middelen

Vuur dat in de regel wordt afgegeven als oppervlaktevuur met fosfor in combinatie met overgetempeerde lichtgranaten.

Explosie van een witte fosfor-granaat.

◄ Het lichaam van de rookhandgranaat nr. 23 Smoke WP (White Phosphorous) bestaat uit een stalen, cilindrische bus waarop een deksel is gelast. In het deksel is de houder van de ontsteker geschroefd.

Het ontstekingsmechanisme 19C3/20 weegt 70 gram. Het vertragingsslagpijpje is de nr. 20.

De rookhandgranaat nr. 23 Smoke WP heeft tot doel het geven van signalen of het leggen van een rookgordijn.

Specificaties:

brandtijd

40 ŗ 80 seconden

diameter

53 mm

gewicht

500 gram

hoofdlading

fosfor + bitumenlaag 265 gram

hoogte

121 mm

kleur

lichtgroen met gele band en rode letters.

onveilige afstand

100 meter

rookontwikkeling

45 seconden

vertragingstijd

3 ŗ 4 seconden

Wegspattende deeltjes van de nr. 23 Smoke WP kunnen brand veroorzaken. De reactieproducten van witte fosfor zijn giftig: personeel dat zich in een rookgordijn bevindt, moet zich beschermen met behulp van het CBRN-masker.

WP kan worden afgeschoten door kanonnen, houwitsers en mortieren; ook handgranaten, zoals de nr. 23 Smoke WP, kunnen fosfor bevatten.

Een fosforverbranding is een chemische verbranding waarbij rookontwikkeling optreedt en de fosforpartikels, onder invloed van zuurstof, oplichten in het donker. Fosfor brandt door de kleding en de huid. Bij huidcontact reageert fosfor met het water in de huid, waardoor zeer diepe en ernstige tweede- en derdegraads brandwonden kunnen ontstaan. De brandwonden veranderen in dood weefsel met daaromheen blaarvorming. Fosforbrandwonden kunnen niet met water worden geblust. Daarnaast is fosfor (zeer) giftig.

Bij chronische blootstelling aan witte fosfor kan kaaknecrose ('phossy-jaw') optreden.

De eerstehulpverlening bij fosforbrandwonden (altijd prioriteit 1) is:

► Fosforpartikels verwijderen door wegspoelen of mechanisch verwijderen; fosforpartikels niet met de blote handen aanraken.

► Koel de fosforbrandwond tenminste 10 minuten met bij voorkeur lauw water.

► Dek de verbrande huid af met drijfnatte, in water doordrenkte kompressen of noodverbanden.

Tot 1999 bestond de behandeling van fosforbrandwonden uit kopersulfaatkompressen 1% (CuSO4); deze behandelwijze is niet langer toegestaan in verband met de kans op kopervergiftiging. Alleen Special Forces, die worden uitgezonden naar gebieden waar niet direct geneeskundige hulp in de buurt is, krijgen nog kopersulfaatkompressen mee in de uitrusting.

Verschil tussen witte en rode fosfor:

 

Brandstichtend

Rookontwikkeling

Toxiciteit

Witte fosfor

zeer

weinig

zeer toxisch

Rode fosforweinigzeertoxisch

Volgens het internationaal oorlogsrecht is het toegestaan fosfor te gebruiken, bijvoorbeeld om militaire operaties te verbergen, maar het mag niet worden gebruikt in bewoonde gebieden en (dus) ook niet tegen de burgerbevolking. Dit is vastgelegd in Protocol III (Protocol on prohibitions or restrictions on the use of incendiary weapons) van de Convention on Certain Conventional Weapons uit 1980 – Verdrag betreffende bepaalde Conventionele Wapens of CWW-verdrag. Het gebruik van witte fosfor in bewoonde gebieden wordt beschouwd als een schending van het humanitair oorlogsrecht.

In november 2004 gebruikten de Amerikanen in “Shake and Bake” missies witte fosfor aan het einde van operatie PHANTOM FURY in de Irakese stad Fallujah, ten westen van Bagdad. Fallujah was een bolwerk van het soennitisch verzet waar volgens de Amerikaanse troepen Al Qaida-leider Abu Musab al-Zarqawi zich schuilhield. Al-Zarqawi werd verdreven ten koste van een onbekend aantal burgerslachtoffers.

In juli/augustus 2006 gebruikt IsraŽl in operatie JUST REWARD tegen Hezbollah in Libanon ook witte fosfor. Israel herhaalde het gebruik van witte fosfor in operatie CAST LEAD in de Gazastrook in december 2008/januari 2009.

Terug naar Boven

 

FOSGEEN

Phosgen.
phosgene.
phosgŤne.

Carbonyl-di-chloride. Militaire code: CG. Chemische benaming: COCl2.

Verstikkend chemisch strijdmiddel, evenals chloorgas (CL), chloorpicrine (PS) en disfosgeen (DP). Verstikkende gassen zorgen ervoor dat het longweefsel zodanig wordt aangedaan, dat de ademhaling wordt bemoeilijkt en uiteindelijk verstikking optreedt. Inademing van en blootstelling aan de (gas)damp moeten dan ook worden vermeden.

Fosgeen, met de karakteristieke geur van vers, broeiend hooi, is een snelwerkend, zeer vluchtig en kleurloos gas, dat in de Eerste Wereldoorlog - vanaf 1915 in Ieper - op uitgebreide schaal als strijdmiddel is gebruikt door Britten, Duitsers en Fransen: Ī 80% van de slachtoffers als gevolg van chemische aanvallen was toe te schrijven aan de inzet van fosgeen – de opvolger van chloorgas op het slagveld. De meeste slachtoffers overleden binnen 48 uur. Omdat fosgeen zwaarder is dan lucht, kan de damp zich via het maaiveld (greppels, loopgraven en schuttersputten) verspreiden.

Fosgeen is al bij kortstondige blootstelling irriterend voor huid, luchtwegen en ogen. De verschijnselen zijn:

Contact

Verschijnselen

Behandeling

Inademing

Brandend gevoel in keel, neus en achter borstbeen.

Hoesten, bloed ophoesten, niezen, braken, oprispen, verslikken.

Dyspnoe door dysfunctie van de longen als gevolg van (uitgesteld) longemfyseem, atelectase (longen bevatten geen lucht meer, worden slap, collaps volgt), longoedeem, chemische pneumonitis (acute ontsteking van longweefsel) en Adult Respirators Distress Syndrome (ARDS; verbindweefseling van de longen).

De effecten kunnen met vertraging optreden, maar blootstelling aan hoge doses is binnen 48 uur dodelijk.

Patiënt in frisse lucht brengen. Halfzittende houding.
Kunstmatige ademhaling kan nodig zijn.
Arts raadplegen.

Huid

Roodheid en pijn. Bij huidcontact met fosgeen in vloeistofvorm (lichtgeel van kleur) bevriezingsverschijnselen (blaren).
Fosgeen wordt niet door de huid opgenomen.

Verwijder besmette kleding.
Spoel de huid met veel water.

Detectie van fosgeen is mogelijk met de gasverkenningsuitrusting en de Interim Gas Verkennings Uitrusting (IGVU).

Terug naar Boven

 

FRAGGING

Fragging is afgeleid van 'fragmentation grenade' (scherfhandgranaat), een manier om een impopulaire, incompetente of onbetrouwbare collega, met name een officier of onderofficier, opzettelijk te verwonden.

Een andere vorm van fragging was dat leidinggevenden van achteren werden neergeschoten (rugschot).

In bredere zin: per abuis richten van de loop van het wapen op zijn buddy dan wel met de loop van het wapen voor zijn buddy langs draaien. Om dit te voorkomen moet de militair in zijn sector blijven en, als dit niet anders kan, het wapen met de loop naar beneden houden of zijn buddy melden dat hij voorlangs gaat.

In de regel kreeg de vijand (Vietcong) de schuld of werd de granaatverwonding toegeschreven aan een ongeval, in de hoop dat de mysterieuze omstandigheden in de doofpot gestopt of onder de pet gehouden werden.

Fragging was een regelmatig gebruikt middel onder Amerikaanse militairen in de hoogspanning van de Vietnamoorlog.

Alleen al in de periode 1969-'72 zijn in deze oorlog bijna 900 gevallen van fragging in officiŽle bronnen van de U.S. Army gedocumenteerd, waarvan ruim 400 op (onder)officieren.

Volgens Matterhorn (2010) van Karl Marlantes vonden 43 van deze fraggings gedurende de Vietnamoorlog plaats binnen het U.S. Marine Corps. Bij alle fraggings tezamen kwamen 85 (onder)officieren om het leven.

Grootschalig drugsgebruik, disciplinaire problemen en fragging waren dť symptomen van impopulariteit van de laatste oorlogsjaren in Vietnam.

Fragging - de overtreffende trap van dienstweigering, desertie, insubordinatie en ongeoorloofde afwezigheid (OA), de meest weerzinwekkende vorm van fratricide (broedermoord) en een voorloper van friendly fire - is na de Vietnamoorlog niet meer (frequent) gedocumenteerd.

Zie ook: desertie, dienstweigering, friendly fire, handgranaat, insubordinatie, Matterhorn (2010, Karl Marlantes), ongeoorloofde afwezigheid (OA) en Vietnamoorlog.

Terug naar Boven

 

FRAGIELE STAAT

Synoniem: zwakke staat.

Staat waar het de centrale regering, indien al aanwezig, ontbreekt aan de politieke wil of het vermogen om zijn burgers de meest basale diensten te kunnen aanbieden, zoals armoedebestrijding, mensenrechten, ontwikkeling en veiligheid. Daarnaast wordt de centrale regering nauwelijks geaccepteerd door de eigen bevolking en andere staten.

Zodra een staat het risico loopt een failed state te worden, is sprake van een fragiele staat.

Kenmerken van fragiele staten:

► Bestuur heeft een gebrek aan bestuurlijke vaardigheden, is zwak en vatbaar voor machtsmisbruik

► Centrale regering is in ontwikkeling achtergebleven.

► Extern machtsmisbruik kenmerkt zich door het winnen en exporteren van grondstoffen tegen minimale kosten en het drijven en toelaten van handel in verboden goederen, zoals drugs, mensen en wapens. Armoede en gebrek aan rechtsorde creŽren negatieve effecten zoals drugs-, mensen- en wapenhandel en in- en externe vluchtelingenstromen.

► Fragiele staten dienen gemakkelijk als toevluchtsoord voor (inter)nationale criminaliteit en terrorisme.

► Fragiele staten vormen een ernstig veiligheidsrisico door gebrek aan basale veiligheid, constante instabiliteit en niet functionerende overheidsinstellingen.

► Intern machtsmisbruik door de gevestigde patrimoniale orde kenmerkt zich door het zich toeŽigenen van financieel voordeel door overheidsfunctionarissen, vriendjespolitiek en veel machtsinvloed aan niet aan de centrale regering gelieerde krijgsheren.

Fragiliteit heeft niet alleen een grote impact op de (basale) veiligheid in de staat zelf, ook op die in de regio en zelfs in de rest van de wereld.

Omdat fragiele staten een ernstig veiligheidsrisico vormen en (basale) veiligheid een noodzakelijke voorwaarde voor ontwikkeling is, dient het gezag van de centrale regering in een fragiele staat te worden hersteld. Elke inspanning in fragiele staten is echter een langdurige kwestie, omdat met name de (weder)opbouw van in ontwikkeling achtergebleven overheidsinstellingen tijdrovend is. Om deze en andere redenen blijft een fragiele staat in de regel fragiel en in elk geval instabiel, hoewel aan de oppervlakte schijnbaar rust en vooruitgang te zien is.

Bij interventie in fragiele staten door westerse krijgsmachten dient rekening te worden gehouden met complexe scenario's, een dichtbevolkt gevechtsveld en vele (on)gewapende actoren. Wanneer interventie wordt overwogen, is de Comprehensive Approach het vertrekpunt. Bij het stabiliseren en weer laten functioneren van een fragiele staat zal moeten worden gezorgd voor een dominant geweldsmonopolie.

in 2012 promoveerde luitenant-kolonel der mariniers Allard Wagemaker op het proefschrift Afghanistan 2001-2011. Gewapende interventie en staatsvorming in een fragiele staat. In het kader van zijn dissertatie onderzocht hij de militaire interventie in Afghanistan in 2001 en de rol van de gewapende interveniŽnten in het Afghaanse staatsvormingsproces.

Zie ook: Comprehensive Approach, failed state en stabiliserende activiteiten.

Terug naar Boven

 

FRAGMENTATION ORDER (FRAGO)

Einzelbefehl; Kurzbefehl.
ordre particulier.

Afgekort: FRAGO. Nederlands: partieel bevel; aanvullend bevel (aanv bevel); aanvullende order.

Een van de mogelijke bevelsvormen, naast een (volledig) operatiebevel, mondeling bevel en oleaatbevel.

De gewijzigde toestand kan aanleiding geven een aanvullend, partieel bevel uit te geven. Als gevolg van de veranderde omstandigheden – zoals wijzigingen in de gevechtsorganisatie (plaats van de commandant), commander's intent, prioriteit ten aanzien van de gevechts(verzorgings)steun, locaties e.d. – stuurt de uitgifte van een partieel bevel de uitvoering van een lopende operatie bij.

Kenmerken van het partieel bevel:

► volgt op een eerder, volledig operatiebevel

► stuurt aanwijzingen en opdrachten bij die van onmiddellijk belang zijn voor tenminste ťťn ondercommandant

► beknopt

► opgesteld volgens het format NAVO-5-paragrafenbevel; onder elke paragraaf wordt vermeld “geen wijzigingen” of de nieuwe gegevens; verplicht zijn de paragrafen 1 (Toestand), 2 (Opdracht) en 3 sub a (Operatieconcept, ConOps), waarbij paragraaf 2 niet mag worden onderverdeeld in subparagrafen, noch worden samengevat in de vorm van “geen wijzigingen” of nihil (nil)

► niet vermeld worden gegevens uit het originele bevel die reeds bekend zijn en ongewijzigd van kracht blijven én gegevens die (nog) niet van toepassing zijn

► na ontvangst teruggekoppeld middels een confirmation brief

Terug naar Boven

 

FRANK VAN BIJNENKAZERNE

Kazerne aan de Sportlaan in Apeldoorn, waar de staf van het Operationeel Ondersteuningscommando Land (OOCL) - voorheen die van 1 Legerkorps - is gevestigd.

Voorheen Koning Willem III-kazerne; op 31 augustus 1985 (Dag van het Verzet) omgedoopt tot Frank van Bijnenkazerne.

Spreuken van Frank van Bijnen:

"Wat sterk is uit overtuiging faalt nooit" (te vinden op de poortboog van de Jan van Schaffelaerkazerne in Ermelo)
"Een volk dat niet bereid is tegen de verdrukker op te staan en voor zijn vrijheid te vechten, verdient slechts roemloos onder te gaan in de oceaan van vergetelheid"

De kazerne is vernoemd naar Johannes Arnoldus (Frank) van Bijnen, geboren in Oosterhout op 31 mei 1910.

Van Bijnen was reserve-officier bij het wapen der infanterie en tijdens WO II een bekend verzetsstrijder.

In gezelschap van twee andere verzetsstrijders gaat Van Bijnen op 22 november 1944 Apeldoorn verkennen wanneer een aantal verzetsmensen in Utrecht door de Duitsers is gearresteerd en opgesloten in de Koning Willem III-kazerne.

De verkenningsparty wordt verrast door een Duitse patrouille. Er ontstaat een handgemeen en Van Bijnen raakt zwaar gewond in zijn buik.

Hij wordt naar het Duitse Kriegslazarett aan de Deventerstraat in Apeldoorn gebracht, waar hij op 30 november aan zijn verwondingen overlijdt.

Zijn verzetsdaden zijn bij Koninklijk Besluit nr. 9 van 24 november 1950 postuum geŽerd met het ridderkruis 4e klasse van de Militaire Willems-Orde. Na zijn dood krijgt Van Bijnen ook de Amerikaanse Legion of Merit.

Zie ook: infanterie, Jan van Schaffelaerkazerne, Militaire Willems-Orde, Operationeel Ondersteuningscommando Land (OOCL) en verzet.

Terug naar Boven

 

FREEDOM OF MOVEMENT

Duits: Bewegungsfreiheit. Frans: libertť de mouvements.

Afgekort: FOM. Nederlands: vrije doorgang; bewegingsvrijheid.

Het recht om zich als collectieve strijdmacht en individuele militair onbeperkt en onbelemmerd fysiek in een operatiegebied te verplaatsen, zonder daarbij te worden bedreigd of gehinderd. Hierbij moeten tenminste alle voor de commandant noodzakelijke verplaatsingen kunnen worden uitgevoerd. Naast minimaal gebruik van geweld, onpartijdigheid, transparantie en wederzijds respect is dit ťťn van de basisprincipes voor Peace Support Operations.

Zo nodig zal de strijdmacht de FOM afdwingen: het is een essentiŽle voorwaarde voor de ontplooiing van activiteiten op een zelf te bepalen plaats en tijd. Vrijheid van handelen (freedom of action) - en het deelaspect vrijheid van beweging - zijn wezenlijk om doelgericht en flexibel te kunnen handelen en waar nodig het initiatief te nemen. Wie zich niet naar of in een operatiegebied kan bewegen, slaagt niet in de uitvoering van zijn taak.

De FOM bepaalt – samen met afstand, terrein (al dan niet beschadigde wegeninfrastructuur), aantal en soorten mobiliteitsmiddelen en weer – de verplaatsingstijd en dus ook de planningsmogelijkheden voor verplaatsingen, reactietijd en al dan niet directe bevoorrading op eindgebruikers in het operatiegebied. Onder FOM valt ook het vrijmaken en -houden van routes (route clearance en route proofen) door de genie.

Zie ook: restriction of movement (RM).

Terug naar Boven

 

FREE LION

Laatste vijfjaarlijlse, autonome oefening van 1 Legerkorps (niveau VIII) uit de geschiedenis van de Koninklijke Landmacht.

De oefening vond van 13 tot en met 25 september 1988 plaats ten zuiden van de Noordduitse stad Hannover, oost- en westelijk van de rivier Weser, op de lijn Braunschweig - Hildesheim - Hameln - Bielefeld.

De tijdsspanne van de oefening viel juist vůůr het einde van de Koude Oorlog.

De (vijfjaarlijkse) legerkorpsoefening had plaats buiten de oefenterreinen, in de realistische omgeving van de Noordduitse laagvlakte, waar - in voorkomend geval - de oorlog tegen het Warschau Pact uitgevochten zou worden.

Voor de deelnemende troepen was FREE LION het slotstuk van een reeks kortere oefeningen op compagnies-, bataljons-, brigade- en divisieniveau.

Verplaatsen, opstelling innemen, aflossen, rivieroversteek, doorschrijding van andere eenheden, reserve. Alles volgens het concept van de voorwaartse verdediging van de NAVO.

Ook konden de staven van 1 Legerkorps, divisies en brigades en legerkorpstroepen hun organieke oorlogstaken onder realistische tijd- en ruimtefactoren en op grote schaal in de praktijk beoefenen.

Na BIG FERRO, de eerste legerkorpsoefening sinds 1954 die in 1973 plaatsvond, volgden om de vijf jaar:

► SAXON DRIVE (1978)
► ATLANTIC LION (1983)
► FREE LION (1988)

Op 21 september 1988 brachten Koningin Beatrix en Prins Claus een bezoek aan de oefening FREE LION.

Halverwege FREE LION legde de genie een pontonbrug over de Weser.

1 Legerkorps was indertijd verantwoordelijk voor het vak tussen de rivieren Elbe en Weser. In voorkomend geval zouden Warschau Pact-eenheden oostelijk van de Weser vernietigd moeten worden.

Daarnaast moest het grootschalige optreden dienen ter afschrikking van het Warschau Pact en bleek een dergelijke oefening ideaal voor het beproeven van nieuwigheden, zoals indertijd de capaciteit aan eigen elektronische oorlogvoeringsmiddelen en een nieuw munitiebevoorradingssysteem.

Aan FREE LION namen Ī 44.000 militairen deel, onder wie 33.000 Nederlandse. De Nederlanders oefenden met Amerikaanse, Britse en Duitse eenheden. In totaal waren er 12.500 wiel- en 1.700 rupsvoertuigen.

NEKKRAMP TIJDENS FREE LION

Op 20 september 1988 verlieten de Ī 500 militairen van 107 Afdeling Veldartillerie de oefening FREE LION om terug te keren naar de Luitenant-kolonel Tonnetkazerne in 't Harde.

Aanleiding voor dit besluit van luitenant-generaal M. J. Wilmink, commandant van 1 Legerkorps, was een tweede geval van vermoedelijke (bacteriŽle) meningitis cerebrospinalis epidemica bij een kanonnier, die buiten direct levensgevaar was opgenomen in het ziekenhuis van Hildesheim.

De ziekte staat ook bekend als meningokokkenmeningitis, nekkramp en "militaire rekrutenziekte".

Twee dagen eerder overleed in het ziekenhuis in Celle een kanonnier van 107 AfdVa aan vermoedelijk acute meningitis. Na dit sterfgeval zijn vijftien personen uit zijn onmiddellijke omgeving met antibiotica behandeld.

Verslagenheid bij de militairen van 107 Afdeling Veldartillerie die terugkeerden naar 't Harde na het overlijden van een collega aan nekkramp.

Op advies van de militaire artsen moest de gehele afdeling antibiotica innemen. Nader onderzoek in het Militair Hospitaal dr. Mathijsen na terugkeer in Nederland wees uit dat er geen sprake was van meerdere besmettingsgevallen.

Terwijl Nederlandse militairen oefenen, gaat het dagelijks leven gewoon door.

Zie ook: 1 Legerkorps, column Bergen verzetten (december 2003) en Warschau Pact.

Terug naar Boven

 

FREE-RIDER

Economisch begrip. Synoniemen: klaploper, meelifter, profiteur.

Actor (persoon, partij) die de voordeel van een collectieve inspanning meekrijgt maar hier weinig of niets (financieel) aan bijdraagt.

In de 21e eeuw is het begrip "free-rider" ingesleten in relatie tot de status van Nederland in het algemeen en de Nederlandse krijgsmacht binnen de internationale gemeenschap.

Dit geldt in het bijzonder het lidmaatschap van de Verenigde Naties, NAVO en Europese Unie (EU), gerelateerd aan respectievelijk mondiale, trans-Atlantische en Europese veiligheidsvraagstukken.

Als gevolg van bezuinigingen op Defensie en de daaruit voortvloeiende verminderde operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht, bestaat onder meer bij Defensiewatchers, denktanks en militairen zelf de angst dat Nederland een free-rider dreigt te worden.

Nederland dient te waken dat het door het buitenland niet alleen als 'consument' maar ook als 'producent' van veiligheid gezien blijft worden. Hiertoe dient de Defensiebijdrage van Nederland binnen de NAVO in verhouding te staan tot die van partners met eenzelfde potentieel op demografisch en economisch vlak.

Free-riding in allianties kan worden uitgedrukt in de hoogte van de militaire uitgaven, afgezet tegen het Bruto Nationaal Product (BNP); zo is de NAVO-norm 2% van het BNP.

Het afwenden van een positie als free-rider is afhankelijk van de politieke wil om te investeren in de krijgsmacht en daarmee, onder andere, verplichtingen binnen allianties te kunnen nakomen. Het risico bestaat dat bij afwezigheid of gebrek aan politieke wil om te investeren in de krijgsmacht:

► In het kader van burden sharing en risk sharing partnerlanden free-rider gedrag beoordelen als onwil om een evenredige financiŽle bijdrage te leveren en/of (militaire) risico's te delen met partnerlanden (omdat de landen bijvoorbeeld wťl missies goedkeuren maar vervolgens geen troepen kunnen leveren).

► Landen nog slechts marginale invloed hebben op de besluitvorming binnen allianties als VN, NAVO en EU.

► Landen zichzelf degraderen tot tweederangs bondgenoten, die niet of nauwelijks beschikken over draagvlak binnen allianties.

► Partnerlanden zich uiteindelijk minder of niet committeren aan de bescherming van puur nationale (veiligheids)belangen.

Uit: 'Nog meer bezuinigingen op Defensie maken van Nederland een free rider', dr. Margriet Drent (Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael). Bijdrage uit de special 'Rijk achter de dijken?', Clingendael (externe link), 20 september 2012.

Zie ook: 2%-regel (NAVO), NAVO, troop contributing nation en Verenigde Naties.

Terug naar Boven

 

FREQUENCY HOPPING

Afgekort: FHOP. Beveiligingstechniek van de zender/ontvanger FM9000 (combat net radio) in alle gebruiksmogelijkheden bij gedigitaliseerde transmissie. Hierbij wisselt de netwerkkaart per seconde 3.000 maal van frequentie, zodat onbevoegden niet kunnen inloggen. FHOP is anti-jam(ming): de radioverbindingen kunnen niet door derden worden gestoord.

Onder operationele omstandigheden wordt met FM9000 standaard gewerkt in de frequency hopping-modus met crypto (meest veilig en eerste keus).

Zie ook: FM9000.

Terug naar Boven

 

FRICTIE

Friktion; Nebel des Krieges.
fog of war.
friction; brumes de guerre; brouillard de guerre.

Letterlijk: wrijving.

Frictie is het belangrijkste kenmerk van militaire operaties: het essentiŽle verschil tussen de (ideale) planning van een operatie en de daadwerkelijke uitvoering die zelden tot nooit volgens plan gaat.

Operaties bestaan in beginsel uit een groot aantal verschillende en - los van elkaar - vaak relatief eenvoudige handelingen.

Verspreid optredende militairen voeren deze handelingen uit, of zoals Von Clausewitz schreef:

"Es ist alles im Kriege sehr einfach, aber das Einfachste ist schwierig. Diese Schwierigkeiten hšufen sich und bringen eine Friktion hervor, die sich niemand richtig vorstellt, der den Krieg nicht gesehen hat."

("Alles is zeer simpel in de oorlog, maar het simpele is moeilijk. Deze moeilijkheden hopen zich op en veroorzaken een frictie waarvan iemand die de oorlog zelf niet heeft meegemaakt zich geen juiste voorstelling kan maken.")

Volgens Von Clausewitz is het een illusie te denken dat gedetailleerde planning en minutieuze voorbereiding een operatie voor frictie kunnen behoeden.

Later onderstreepte de, eveneens Pruisische, chef van de generale staf Helmuth van Moltke Sr.:

"Kein Operationsplan reicht mit einiger Sicherheit Łber das erste Zusammentreffen mit der feindlichen Hauptmacht hinaus."

("Met enige zekerheid overleeft geen enkel operatieplan het eerste contact met een vijandelijke hoofdmacht.")

Decentrale, opdrachtgerichte commandovoering schept voor ondercommandanten een beter gevoel van betrokkenheid, bevordert de eenheid van opvatting tussen een commandant en zijn ondercommandanten en leidt tot snelheid in optreden. Bijkomend voordeel is dat alleen essentiŽle informatie de bevelslijn van boven naar beneden (top-down) en terug (bottom-up) hoeft te passeren.

Frictie kan grotendeels beperkt of voorkomen worden door:

► decentrale, opdrachtgerichte commandovoering die ondercommandanten vrijheid van handelen geeft.
► maken van een eventualiteitenplanning (contingency planning).
► personeel niet afhankelijk maken van en/of te veel laten wennen aan moderne technologie, maar ook minder technische alternatieven blijven instrueren (kaartlezen in plaats van GPS).
► personeel op te leiden voor de ontwikkeling van een correct begrip van de mogelijke politieke en overige consequenties van eigen militair optreden.
► repeteren (rehearsal) van een komende actie, die tot doel heeft te komen tot een optimale afstemming.

Behalve met de beschikbare tijd- en ruimtefactoren moet voortdurend rekening worden gehouden met de factor frictie.

Militair optreden wordt beÔnvloed door voor beide partijen deels onvoorspelbare elementen en invloeden die eigen zijn aan oorlog(voeren). Op alle elementen, die door de complexiteit en snelheid van het moderne militaire optreden worden versterkt en uitvergroot, hebben strategen noch commandanten te velde grip.

De verstoring van menselijke activiteiten door onvoorspelbare elementen en invloeden, veroorzaakt chaos en verwarring op het gevechtsveld. Omdat ondanks alle hightech oorlogvoeren in essentie mensenwerk blijft, beÔnvloedt frictie het verloop van een operatie negatief.

Er zijn legio voorbeelden van factoren die tijdens oorlogsvoering onverwacht obstakels en onzekerheden ("De enige zekerheid is onzekerheid") teweegbrengen:

► (interpretatie)fouten

► storingen aan of uitvallen van techniek

► (levens)gevaar

► stress

► fysieke inspanning

► toeval

► geluk

► veranderde terrein- en/of weersomstandigheden

► misverstanden

► verdwaalde eenheden of personen

► onbetrouwbare of onjuiste informatie

► vergissingen

► onverwachte gedragingen van de vijand

► verkeerd begrepen of uitgevoerde orders

► onvoorspelbare wisselwerking op de vijand

► vermoeidheid en uitputting

► rivaliteit tussen commandanten

► verrassing door de vijand

 

"Frictie is het verstorend effect op menselijke activiteiten dat optreedt als gevolg van toeval, vermoeidheid, vergissingen, fouten, onduidelijkheden en misverstanden.

Naarmate sinds Clausewitz' tijd de legers massaler werden, het aantal bevelsniveaus toenam en de oorlogen op zich een totaler en vernietigender karakter kregen, is het cumulatief effect van frictie alleen maar versterkt."

Leidraad Commandovoering (LD1), 2000.

Zie ook: Carl von Clausewitz, eenheid van opvatting, fog of war, friendly fire, hightech, opdrachtgerichte commandovoering, planningsfactor, rehearsal, Vom Kriege van Clausewitz (Hew Strachan) en vrijheid van handelen.

Extern naslagwerk: masterscriptie 'Frictie op het slagveld. Twee eeuwen Clausewitziaanse frictie' (2011, Universiteit Utrecht) van T.J.A. den Hollander.

Terug naar Boven

 

FRIENDLY FIRE

Ook genaamd: blue on blue, fratricide, non-hostile fire.

Foute term, want zoals generaal Norman Schwarzkopf al zei:"No fire is friendly".

Friendly fire is een incident waarbij eigen eenheden of militairen van bevriende strijdkrachten per abuis worden gedood of gewond raken. De term is afkomstig van de benaming van militaire oefeningen in het verleden, waarbij binnen de NAVO 'Blauwland' de eigen troepen voorstelde en 'Roodland' die van de vijand.

Het begrip dateert van vóór de Eerste Golfoorlog, maar werd door de Britse historicus Geoffrey Regan - auteur van vele boekwerken over militaire blunders - pas in 1995 verwerkt in de boektitel 'Blue on Blue. A History of Friendly Fire'.

Niet verwonderlijk dat situaties waarbij slachtoffers vallen als gevolg van het per ongeluk uitbrengen van vuur op eigen troepen liever worden aangeduid met het wellicht neutraler "Blue on Blue".

De stijging van het aantal friendly fire-incidenten kan wellicht worden toegeschreven aan:

‘Blue on Blue. A History of Friendly Fire’ van Geoffrey Regan verscheen bij Avon Books, ISBN 9780380776559.

 
►gebruik van technologie op grotere hoogtes en afstanden waarvan de vijand onder vuur kan worden genomen
►hoog operationeel tempo
►vervagen van duidelijke frontlijnen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de Vietnamoorlog lag het aantal slachtoffers door friendly fire nog op slechts 2%, tijdens de Eerste Golfoorlog (1991) was dat al opgelopen tot 17%.

De facto is friendly fire één van de vormen van collateral damage (nevenschade), die voortkomt uit vergissingen in de eigen of andermans positie dan wel vergissingen in andermans identificatie.

Een voorbeeld van friendly fire is wat de Britse cavalerist Christopher Finney overkwam. Op 28 maart 2003 redde hij ten noorden van Basra zijn boordschutter uit de toren van een Scimitar (gepantserd voertuig), dat in vlammen opging na een aanval van Amerikaanse A-10 Thunderbolt-vliegtuigen. Voor zijn heldhaftige actie werd Finney op 25 februari 2004 door koningin Elizabeth II onderscheiden met het George Cross voor betoonde moed onder vuur.

Op 12 januari 2008 kwamen bij een vuurgevecht in de buurt van de Nederlandse basis Camp Hadrian in Deh Rawood (Uruzgan) soldaat Wesley Schol en korporaal Aldert Poortema om het leven door eigen vuur tijdens een langdurig vuurgevecht tussen eenheden van de Task Force Uruzgan en de Opposing Militant Forces. Beide militairen, afkomstig van 44 Pantserinfanteriebataljon Regiment Johan Willem Friso, waren de eerste Nederlanders sinds de Tweede Wereldoorlog die door eigen vuur om het leven kwamen.

Zie ook: asymmetrische oorlogvoering, collateral damage, danger close, deconflictie, flashcard, fog of war, fragging, green on blue, irregulier optreden, lineair gevechtsveld, mockingbird, proportionaliteit, regulier optreden, ricochet, rules of engagement, symmetrische oorlogvoering en trefferbeeld.

Terug naar Boven

 

FRIESE RUITER

Ook genaamd: Spaanse ruiter (germanisme).

Voorbeeld van een Friese ruiter.

Duits: Spanische Reiter. Engels: knife rest. Frans: cheval-de-frise.

De Friese (of Spaanse) ruiter is een kunstmatige hindernis.

Het is een mobiele, verplaatsbare versperring die bestaat uit een constructie van houten balken of palen van 3 ŗ 5 meter lang. Aan de uiteinden zijn de balken of palen kruislings voorzien van (X-vormige) kruishouten (1 ŗ 1,5 meter lang).

Rondom ťn diagonaal is het geheel voorzien van concertina of prikkeldraad. Over de X-vorm van de kruishouten loopt in de lengterichting van de Friese ruiter opnieuw een balk of paal.

Het gebruik van een organieke of geÔmproviseerde Friese ruiter is van origine bedoeld voor het afsluiten van verdedigingswerken (bijvoorbeeld rondombeveiligingen) die moeten kunnen worden geopend en gesloten, zoals op wegen. De bekendste toepassing is dan ook bij een roadblock.

Nog altijd geldt de Friese ruiter als een gemakkelijk toepasbare kunstmatige hindernis ter verdediging en/of versperring van doorgangen. Niet alleen zeer effectief tegen lichte voertuigen, maar juist ook tegen pantservoertuigen die daarin vastlopen met loopwielen en tracks.

De Spaanse ruiter kwam al voor tijdens de Middeleeuwen maar is populair geworden ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog: de Spanjaarden hadden de stad Groningen bezet en konden met hulp van Spaanse ruiters een belegering van de stad door de cavalerie afwenden. Op 22 juli 1594 is Groningen toch door Prins Maurits heroverd, waarna de stad en zijn ommelanden Staats (van de Staten-Generaal) werden en deel gingen uitmaken van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Willem Lodewijk van Nassau werd de eerste stadhouder.

Zie ook: hindernis en laplandversperring.

Terug naar Boven

 

FRONT

Duits: Front; Linie der Feindberührung. Engels: front. Frans: front.

Het eerste gelid van de opgestelde troepen wordt het front genoemd, het achterste gelid de rug, de gelederen aan de zijkanten de flanken. Dit is met name het geval sinds de Eerste Wereldoorlog, waar vanuit linies van loopgraven en stellingen werd gevochten.

Het front is de voorste linie waar de gevechtshandelingen plaatsvinden dan wel de voorste verdedigingslinie die wordt ingenomen.

De al dan niet denkbeeldige lijn waar beide oorlogvoerende partijen tegenover elkaar staan, wordt ook front genoemd. Ten derde kan het front een markante lijn in het terrein zijn, zoals een bergrug, dal of rivier.

Aangezien een front in de regel een frontlijn inhoudt, is dit begrip van toepassing op symmetrische oorlogvoering en een lineair gevechtsveld. Bij manoeuvreoorlogvoering is veel minder, of in het geheel niet, sprake van een front; dit is het geval bij gemechaniseerd optreden, vaak samen met optreden te voet (uitgestegen) in moderne oorlogvoering.

Zie ook: voorste lijn eigen troepen (VLET) en voorste rand weerstandsgebied (VRW).

Terug naar Boven

 

F.R.O.S.T.

Het ezelsbruggetje FROST wordt door gewondenhelpers (Combat Life Savers, CLS'ers) gehanteerd om te bepalen of er al dan niet een borstonderzoek moet worden uitgevoerd:

FR

Frequentie van de ademhaling

Snelle (tachypneu) en oppervlakkige ademhaling.

O

Open wonden

In- en uitschotopeningen veroorzaken stoornissen  van zowel ademhaling als circulatie.

S

Symmetrisch op- en neergaan van de borstwand

Beide borsthelften komen omhoog bij het ademhalen (kijken – voelen – luisteren).

T

Tekenen van benauwdheid

Bij problemen met in- en/of uitademing (dyspnoe) is het slachtoffer niet in staat in ťťn ademteug door te zuchten dan wel tot 10 te tellen.

Terug naar Boven

 

F.U.B.A.R.

Acroniem: "Fucked Up Beyond All Repair" of "Fucked Up Beyond All Recognition". Goede Nederlandse vertalingen: "Totaal verneukt" of "Totaal naar de klote".

De term is afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog en geÔntroduceerd als slang. Uitgesproken als "Foobar". Gedacht wordt dat de Amerikanen het Duitse "Furchtbar" (vreselijk, ontzettend, verschrikkelijk) hadden gehoord, als negatieve tegenhanger van "Wunderbar".

FUBAR komt onder andere voor in de speelfilm 'Saving Private Ryan' (1998), over de landing op en nasleep van de geallieerde landing tijdens D-Day.

Vergelijk FUBAR met SNAFU, "Situation Normal All Fucked Up", dat met name onder de Amerikanen in de Vietnamoorlog in gebruik was.

Terug naar Boven

 

FUCHS ALGEMEEN

Het pantserwielvoertuig Fuchs 6 x 6 (Transportpanzer, PPz) – Duits voor “vos” – wordt sinds 1979 geproduceerd door Henschel Wehrtechnic GmbH en Rheinmetall AG in Duitsland. De transportversie, die niet bij de Koninklijke Landmacht in gebruik is, kan – naast de chauffeur en bijrijder – tien militairen herbergen.

Specificaties:

actieradius

400 km (terrein); 800 km (verharde weg)

aandrijving

6 x 6

brandstoftank

390 liter

breedte

2 meter 98

draaicirkel

17 meter

gewicht

17 ton

hoogte

minimaal 2 meter 37

lengte

7 meter 33

maximumsnelheid

105 km per uur

motor

8-cilinder 12,7 liter Daimler-Benz dieselmotor

motorvermogen

235 kW (320 pk)

Binnen de KL zijn drie versies in gebruik: Fuchs NBC-verkenningsvoertuig, Fuchs peilstation EOV en Fuchs stoorstation EOV.

Terug naar Boven

 

FUCHS CBRN-VERKENNINGSVOERTUIG

Ook genaamd: Nucleair/Chemisch (N/C) Fuchs; snuffel-Fuchs. Engels: CBRN reconnaissance vehicle. Het Fuchs NBC-verkenningsvoertuig is de versie TPz 1A3 (Spürpanzer).

Voor de Fuchs-CBRN is binnen 101 CBRN Verdedigingscompagnie, opgericht in 2003, een geheel nieuw peloton op poten gezet. In dit Verkennings- en Detectiepeloton bevindt zich sinds 2006 zesmaal een Fuchs-NBC; om de Fuchs-NBC te verkrijgen heeft Nederland zesmaal een Fuchs peilstation EOV laten ombouwen.

101 CBRN Verdedigingscompagnie is gelegerd op de Prinses Margrietkazerne in Wezep.

Behalve in Nederland rijdt het Fuchs NBC-verkenningsvoertuig rond in de krijgsmachten van Duitsland, Groot-BrittanniŽ, IsraŽl, Saudi-ArabiŽ, Turkije, Venezuela en de Verenigde Staten. Tijdens de Golfoorlog hebben Groot-BrittanniŽ, IsraŽl en de VS het voertuig ingezet.

Voorheen gingen alle verkenningen op het gebied van nucleaire, biologische en chemische oorlogvoering te voet; de uitgestegen verkenningen. Met de, dankzij een overdruksysteem, gasdichte Fuchs-NBC kunnen vanuit het voertuig bodem-, lucht- en watermonsters worden genomen. Speciale sensoren geven op de computer aan wat de staat van de buitenlucht (gasmengsel) is.

De geïntegreerde database herkent daarbij ruim 30.000 stoffen.Met de interim gasverkenningsuitrusting (IGVU) kunnen de vijandelijke stoffen worden geanalyseerd.

Wat de Fuchs-NBC tot een voortreffelijk exportproduct maakt, is de mobiele massaspectrometer MM-1 voor het analyseren van chemische strijdmiddelen. Ontwikkeld door Bruker-Franzen Analytik GmbH in Duitsland combineert de MM-1 massaspectrometrie en gaschromatografie. Routinematig kunnen vele tientallen schadelijke agentia worden gedetecteerd, waarna duidelijk is om welke hoofd- of subgroep strijdmiddelen het gaat. NBC-strijdmiddelen in concentraties lager dan ťťnmiljardste gram zullen binnen 30 seconden worden ontdekt.

De Fuchs-NBC is alleen geschikt voor het uitvoeren van chemische en nucleaire verkenningen én detecties. Routeverkenning geschiedt met 30 km per uur (voorheen stapvoets), zodat een commandant sneller zijn informatie heeft. De Fuchs-NBC kan gemakkelijk beoordelen of het al dan niet gaat om een aanval. De Fuchs-NBC is niet toegerust voor het detecteren van biologische strijdmiddelen (bacteriën, toxinen, virussen). Aan de hand van analyses van de steeksproefgewijs opgespoorde stoffen kunnen NBC-dreigingen en/of –aanvallen worden bevestigd.

Tot slot verzamelt het voertuig locale meteorologische gegevens om correcte voorspellingen over NBC-gevarengebieden te kunnen doen.

Algemeen is de Fuchs-NBC een ideaal voertuig om achter de voorste linies en/of in besmet gebied te opereren. Bij een nucleaire aanval ligt dat anders, want dan kan de Fuchs-NBC slechts korte tijd in besmet gebied verblijven.

Specificaties:

bemanning

4 (chauffeur, commandant en 2 x verkenner)

breedte

2 meter 98

eigen uitrusting

markeringsuitrusting, warmtebeeldkijker en weerstation

gewicht

17 ton

hoogte met antenne

4 meter 15

lengte

7 meter 33

maximumsnelheid

80 km per uur

Nederland sluit wat opleiding en training betreft, aan bij Duitsland en Groot-BrittanniŽ, De terminologie binnen het verkennen met de Fuchs-NBC is in de Duitse taal; op de Generaloberst Beck Kaserne in het Duitse Sonthofen im Oberallgäu (Beieren) zijn de internationale opleidingen gevestigd.

Terug naar Boven

 

FUCHS PEILSTATION EOV

Bijnaam: Eloka. Dit is de versie TPz 1A2 (FŁhrungs- und Funkpanzer).

 

Het Fuchs peilstation EOV peilt vijandelijke radiouitzendingen in zowel HF- als VHF-bereik. Op het voertuigdak bevinden zich een automatisch opklapbare telescopische rondomantenne en een aantal losse antennes voor het HF-bereik.

Het voertuig heeft, evenals het Fuchs ‘Hummel’ stoorstation EOV, een geÔntegreerde 15 kW-generatoraggregaat. Binnen de Koninklijke Landmacht is het voertuig werkzaam binnen 102 Elektronische Oorlogvoeringcompagnie (EOV-cie).

 

Terug naar Boven

 

FUCHS STOORSTATION EOV

Bijnaam: Hummel. Dit is de versie TPz 1A1 (Funkstörpanzer ‘Hummel’).

Het voertuig heeft een stoorcapaciteit van 2 kW. Frequenties van 20 tot 80 MHz, in alle modulaties, kunnen worden gestoord tot een maximum van zelfs 500 MHz. Het storen van spraak- en dataverbindingen vindt plaats in een hoek van 45 graden in voorwaartse richting. Het storen kan zowel stilstaand als bij verplaatsingen in slagorde.

Op het voertuigdak staat een batterij antennes die fungeren als één antenne. Elke antenne heeft zijn eigen bereik: hoe kleiner het exemplaar, des te hoger de frequentie.

Bij het storen wordt een buzzend geluid voortgebracht, waaraan het voertuig zijn bijnaam ‘Hummel’ (Nederlands: “hommel”) te danken heeft.

De ‘Hummel’ stoort vijandelijke radio-uitzendingen in twee bereikgebieden:

HF

High Frequency

korte golf

Frequentieband van 3 tot 30 MHz
(bereik is niet beperkt tot zichtafstand)

VHF

Very High Frequency

ultrakorte golf

Frequentieband van 30 tot 300 MHz (bereik is beperkt tot zichtafstand)

De stoorcapaciteit is het wapen van het Fuchs-stoorstation. Een stooraanval creŽert een elektromagnetische puls (EMP), die zorgt voor een snel veranderend elektromagnetisch veld. Hierdoor ontstaan grote piekspanningen die elektronische apparatuur en bedrading beÔnvloeden. De gevolgen van een stooraanval zijn verwoestend, ook voor de standaard combatnetradio’s.

Het voertuig heeft, evenals het Fuchs peilstation EOV, een geÔntegreerde 15 kW-generatoraggregaat. Binnen de Koninklijke Landmacht is het voertuig werkzaam binnen 102 Elektronische Oorlogvoeringcompagnie (EOV-cie).

Terug naar Boven

 

FUCO

Voluit: functiecontrole. Omvat alle controle- en onderhoudshandelingen op het niveau van de individuele gebruiker (1ste echelon), die moeten worden uitgevoerd om personeel en materieel voor het gevecht inzetbaar te maken dan wel te houden.

FUCO 1 (enkele man) is een controle van de gevechtskracht die automatisch, dus niet opgedragen door (O)PC, wordt uitgevoerd bij aankomst in een verzamelgebied of in opdracht van (O)PC tijdens een gevechtspauze.

De individuele militair blijft tijdens de FUCO 1-controle permanent gereed voor actie.

Na FUCO 1, die maximaal 15 minuten in beslag neemt, doet de groepscommandant een inzetbaarheidsmelding aan de (O)PC.

FUCO 1 vůůr actie

1

Inspectie persoonlijk wapen + (half) laden

2

Inspectie CBRN-masker (reinheid + controle werking)
Inspectie CBRN-draagtas (compleetheid + reinheid)

3

Controle persoonlijke camouflage

4

Controle persoonlijke gevechtsuitrusting door buddy (GOBS)

5

Rapportage aan commandant (klasse I t/m V in procenten of kwarten)

FUCO 1 na actie

1

Inspectie persoonlijk wapen + ontladen

2

Inspectie CBRN-masker

3

Controle persoonlijke gevechtsuitrusting door buddy (GOBS)

4

Rapportage aan commandant (klasse I t/m V in procenten of kwarten)

5

1ste echelons onderhoud

Terug naar Boven

 

FULDA GAP

Fulda-LŁcke.
trouťe de Fulda.

Nederlands: Fulda Vallei; Gat van Fulda.

Vernoemd naar de stad Fulda in de deelstaat Hessen.

Strategische laaglandcorridor in toenmalig West-Duitsland (BRD), gelegen tussen de Innerdeutsche Grenze aan de ene en Frankfurt am Main en het plateau van de Eifel aan de andere kant.

In de Koude Oorlog beschouwde de Central Army Group (CENTAG) van Allied Forces Central Europe (AFCENT) van de NAVO de Fulda Gap als een van de meest waarschijnlijke aanvalsroutes (avenue of approachs) voor tanks van de Sovjet-Unie en het Warschau Pact.

Vanaf 1963 waren bij de NAVO de plannen bekend van in totaal vier invasiemogelijkheden door de Sovjet-Unie en het Warschau Pact:

Fulda Gap

naar Frankfurt am Main en de Eifel

Noordduitse Laagvlakte
(Norddeutsches Tiefland)

naar Hamburg en Kiel
GŲttinger Korridor

naar het Ruhrgebied en Niederrhein
(en het zuidoosten van Nederland)

Hofer Korridornaar het zuiden van Duitsland

Alle overige naderingsmogelijkheden van West-Europa waren minder waarschijnlijk vanwege de pantserremmende of pantserstoppende hinderniswaarde van het terrein.

In alle opties was het einddoel binnen drie dagen de Rijn over te steken en de opmars naar het West-Europese achterland voort te zetten.

De Fulda Gap lag in een Amerikaans gebied van verantwoordelijkheid.

In de jaren '80 van de 20e eeuw stonden hier twee Amerikaanse legerkorpsen permanent paraat om een eventuele eerste aanvalsgolf te kunnen opvangen en afslaan:

► V Corps met 3d Armored Division, 8th Infantry Division en 11th Armored Cavalry;

► VII Corps met 1st Armored Division, 3d Infantry Division, 1st Infantry Division (Forward) en 2d Armored Cavalry.

Sovjet- en Warschau Pact-eenheden konden via de Fulda Gap over de grootste breedte oprukken, wat de corridor wellicht tot de meest waarschijnlijke opmarsroute maakte.

Onder militair strategen gold het 'Gat van Fulda' als de zwakste plek in de lineaire verdediging van de NAVO.

WESER-FULDALINIE

Snel na het toetreden van de BRD tot de NAVO in 1955, verschuift de NAVO-verdediging naar het oosten. Dat jaar sluiten de Sovjet-Unie en andere Oost-Europese landen het Warschau Pact.

Door het NAVO-lidmaatschap van de BRD - en "de 'nuclearisering' van het gevechtsveld [tactische nucleaire wapens doen hun intrede, BP] en de mechanisatie en motorisatie - het 'op rups' en 'op wiel' zetten - van de gevechtseenheden" ('200 jaar Koninklijke Landmacht, 1814-2014', paginga 252) - wordt de Koninklijke Landmacht geconfronteerd met ingrijpende veranderingen.

De BRD wil bij een aanval niet bij voorbaat West-Duits grondgebied prijsgeven en dringt aan op Forward Defence (voorwaartse verdediging).

In 1958 bepaalt de Supreme Allied Commander Europe (SACEUR) dat de hoofdverdedigingslijn van de rivieren Rijn en IJssel vooruit schuift naar de rivieren Weser en Fulda. Het Rode Leger mag niet achter deze Weser-Fuldalinie komen; ook krijgt 1 Legerkorps een vak toegewezen in de BRD.

In 1963 verschuift de verdedigingslijn nogmaals. De voorwaartse verdediging wordt nu tot aan de Elbe, bij de Innerdeutsche Grenze (grens BRD-DDR), gevoerd; eenheden van de KL worden permanent in de BRD gestationeerd, onder andere op de Legerplaats Seedorf.

Zie ook: follow-on forces attack (FOFA), Koude Oorlog, NAVO en tank.

Terug naar Boven

 

FULLCOM

Volledige bevelsbevoegdheid. Duits: Unterstellung in jeder Hinsicht. Frans: commandement intťgral.

FULLCOM geeft de ruimste (hoogste) bevoegdheid aan een commandant die maar mogelijk is, bestaat slechts in nationale zin en kan niet worden overgedragen. In Nederland heeft de Commandant der Strijdkrachten (CDS), namens de regering / Minister van Defensie, FULLCOM over de strijdkrachten.

Voor de duur van een operatie houdt FULLCOM de volledige militaire bevoegdheid en verantwoordelijkheid is om militaire eenheden (ondergeschikten) opdrachten en aanwijzingen te geven in. Weliswaar kan het nationale contingent strikt operationeel niet worden aangestuurd, FULLCOM geeft een commandant wel de onbeperkte autoriteit om de onder zijn bevel staande nationale eenheden te gebruiken voor elk doel.

Op grond van het gestelde in de Grondwet behoudt de regering te allen tijde het oppergezag over de krijgsmacht. Het oppergezag wordt uitgevoerd onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie. De terbeschikkingstelling van Nederlandse militairen aan een internationale commandant (force commander) beperkt nooit de ministeriŽle verantwoordelijkheid in staatsrechtelijke zin.

Namens de regering draagt de Minister van Defensie verantwoordelijkheid voor de instemming met het operatieplan, de overdracht van de bevelsbevoegdheden (transfer of authority) en het oordeel dat een operatie binnen de gestelde voorwaarden wordt uitgevoerd. De beslissing tot Nederlandse deelname aan een operatie kan worden gekoppeld aan nationale beperkingen met betrekking tot inzet (caveats): regering en parlement kunnen voorwaarden aan de inzet van de krijgsmacht verbinden. De CDS verzekert dat de internationale troepencommandant rekening houdt met de aangegeven beperkingen.

Daarnaast wordt via de contingentscommandant (Contco) in het missiegebied de CDS dagelijks op de hoogte gehouden over de militaire opdrachten aan de Nederlandse militairen en de relatie hiervan tot het mandaat.

Op grond van FULLCOM heeft de CDS de bevoegdheid indien nodig de eenheden te onttrekken aan het bevel van de internationale commandant (en daarmee aan de operatie) of inzet in de operationele taakuitoefening van de eenheden (tijdelijk en plaatselijk) te blokkeren. Hierbij moet worden aangetekend dat zoiets om politieke én praktische redenen vaak niet eenvoudig is: zo zal het terugtrekken van eenheden vooraf in internationaal overleg moeten worden besproken.

Omdat het voor een troepencommandant ondoenlijk is om voor alle operationele opdrachten eerst de nationale autoriteiten te moeten consulteren – wat tijdrovend is en afbreuk doet aan het beginsel van eenhoofdige leiding – krijgt de troepencommandant in beginsel Operational Control (OPCON) over de toegewezen eenheden. OPCON – het gezagsniveau onder FULLCOM – kan dus worden overgedragen aan Major NATO Commanders als SACEUR, SACLANT of aan lagere commandanten, zoals COMISAF (C-ISAF).

Zie ook: Operational Command (operationele bevelsbevoegdheid) en Tactical Command (tactische bevelsbevoegdheid).

Terug naar Boven

 

FULLER, JOHN FREDERICK CHARLES

In de regel geciteerd als: J.F.C. Fuller. Geboren: 1 september 1878, Chichester, Sussex, Engeland. Overleden: 10 februari 1966, Falmouth, Cornwall, Engeland.

Brits militair, militair theoreticus (strateeg) en militair historicus. Vader van de moderne tankoorlogvoering – ťťn van de voorlopers van de manoeuvreoorlogvoering.

De huidige Britse Army Doctrine Publication Operations stelt dat “the prophetic utterings of a few visionaries such as Liddell Hart and Fuller were ignored by the dinosaurs at the top of the Army. This led inexorably to the defeat in France in 1940.”

Daarnaast was Fuller ťťn van de twee Britten die door Adolf Hitler op 20 april 1939 op zijn 50ste verjaardag werden uitgenodigd, waar hij urenlang een parade van een gemechaniseerd en gemotoriseerd leger mocht aanschouwen.

Na zijn opleiding aan de Royal Military Academy Sandhurst (1897-’98) trad Fuller toe tot het 1st Battallion Oxfordshire Light Infantery, dat werd ontplooid in de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1899-1902). Van 1903 tot ‘06 diende hij in Brits-Indië, in 1911 werd hij bevorderd tot kapitein en in januari 1914 startte hij aan het opleidingsinstituut van de Britse generale staf in Camberley (Staff College).

Fuller was een onrustige geest, steeds bezig nieuwe dingen te bedenken of bestaande te verbeteren, in het bijzonder met betrekking tot de gemechaniseerde oorlogsvoering. Hierdoor kwam hij vaak in botsing met het conservatisme dat kenmerkend was voor de legerleiding in die tijd.

Bij de uitbraak van WO I was Fuller als stafofficier belast met het organiseren van trainingen voor hogere officieren (Home Office), totdat hij in december 1916 werd benoemd tot chef-staf van het Machine-Gun Corps’ Heavy Branch, dat later zou omvormen tot Tank Corps.

Fuller was ervan overtuigd dat de tank een einde kon maken aan de patstelling van de loopgravenoorlog. Als chef-staf van het Tank Corps plande hij de verrassingsaanval met 381 tanks van de Slag om Cambrai op 20 november 1917 – de eerste grootschalige tankslag in de krijgsgeschiedenis. Door het spectaculaire succes in de beginfase bij Cambrai, toen de oprukkende tanks erin slaagden door te dringen in de onneembaar geachte Siegfriedlinie, speelde Fuller een sleutelrol bij de totstandkoming van de Britse tankstrategie in WO I. Hoewel veel tanks bij Cambrai door Duits vuur werden uitgeschakeld of in het terrein vastliepen, was aangetoond dat de tank toekomst had. Ook het geslaagde herfstoffensief van 1918 werd door Fuller gepland.

Na WO I lanceerde hij een campagne voor de mechanisering en modernisering van de Britse krijgsmacht. Na 1918 bekleedde hij talloze vooraanstaande functies, waaronder die van docent op Staff College Camberley, assistent van de chef generale staf en, in 1926, commandant van de experimentele brigade (Experimental Mechanized Force) in Aldershot. In 1930 werd Fuller bevorderd tot generaal-majoor; hij verliet in 1933 de dienst.

Ambitieus beraamde Fuller ‘Plan 1919’: een volledig gemechaniseerd leger dat een massale, gecoŲrdineerde aanval kon uitvoeren waarbij tanks en vliegtuigen de speerpunt vormden om een oorlog definitief te beslissen. Hierop vond hij in Groot-BrittanniŽ geen gehoor, maar zij hadden veel invloed op de Duitse en Sovjet-doctrines, respectievelijk dankzij Heinz Guderian en maarschalk Mikhail Nikolayevich Tukhachevsky. Zijn nadruk op het pantseroffensief zou de voorloper blijken van de Duitse Blitzkrieg in WO II; Fuller had weer eens het gelijk aan zijn kant.

Gedurende het verloop van WO II werden de principes van de Blitzkrieg overgenomen door de geallieerden; zij worden nog steeds op grote schaal toegepast in het moderne strategisch denken. Dat geldt ook voor ‘The Nine Principles’, in 1921 voor het eerst gepresenteerd in het Britse trainingshandboek ‘Field Service Regulations’ van de toenmalige kolonel Fuller:

Direction Richting

Offensive action

Aanvallende acties

Surprise

Verrassing

Concentration

Concentratie

Distribution

Verdeling

Security

Beveiliging

Mobility

Mobiliteit

Endurance

Uithoudingsvermogen

Determination

Vastberadenheid

Fuller’s negen principes van oorlogvoering zijn afgeleid van zowel Napoleon als Clausewitz en worden, in het Engelse taalgebied, samengevat met het acroniem MOOSEMUSS: Maneuver, Objective, Offensive, Surprise, Economy of force, Mass, Unity of Command, Simplicity en Security).

Na zijn diensttijd begon Fuller een carriŤre als journalist, historicus en militair correspondent van de Daily Mail. Na zijn pensioen raakte hij steeds meer betrokken met Sir Oswald Mosley en de Britse fascistische beweging. Als lid van de British Union of Fascists was hij een van Mosley's trouwste bondgenoten.

Zijn boekwerken omvatten onder andere:

‘Tanks in the Great War’ (1920)

‘Reformation of War’ (1923)

‘British Light Infantry in the Eighteen Century’ (1925)

‘The Foundations of the Science of War’(1926)

‘The Army in My Time’ (1935)

‘Machine Warfare’ (1942)

‘A Military History of the Western World’ (1954-‘56)

‘The Decisive Battles of the Western World’ (1956)

Maar hij schreef ook boeken over krijgsheren, van Scipio Africanus tot veldmaarschalk Erwin Rommel. In ‘Generalship. Its Diseases and Their Cure: A Study of the Personal Factor of Command’ (1936) omschreef hij de neiging van een staf om een aparte entiteit te worden: “The staff becomes an all-controlling bureaucracy, a paper octopus squirting ink and wriggling its tentacles into every corner. Unless pruned with an axe it will grow like a fakir’s mango tree, and the more it grows the more it overshadows the General. It creates work, it creates offices, and above all, it creates the rear spirit.”

Vaak wordt Fuller vergeleken met Sir Basil Liddell Hart, maar zijn praktische militaire routine was veel groter, zijn interesses waren, met name in latere jaren, vooral gericht op de tactische en technologische niveaus van oorlogvoering, en zijn kijk op Clausewitz was veel dynamischer dan die van Liddell Hart.

In juli 1930 schreef Fuller in de Journal Royal Artillery het artikel ‘The Influence of the Constant Tactical Factor in the Development of War. Hierin lanceerde hij het idee van de ‘Constant Tactical Factor’, die bepaalt dat elke verbetering in oorlogvoering wordt gevolgd door een tegenverbetering, elk nieuw wapen door een nieuwer wapen of maatregelen om dat wapen te neutraliseren. Dit is het haasje-overeffect van de snelle technologische veranderingen, waardoor krijgsmacht(del)en almaar in- en externe omgevingsveranderingen moeten beantwoorden. Hierdoor verschuiven voortdurend de voor- en nadelen tussen de eigen troepen en de vijand. In WO I zag Fuller zo met eigen ogen een verschuiving van de defensieve kracht van het machinegeweer en de offensieve kracht van de tank.

Zie ook: citaten & kreten, principes van moderne oorlogvoering en Sir Basil Liddell Hart.

Terug naar Boven

 

FULL SPECTRUM OPERATIONS

Afgekort: FSO. Van origine Amerikaans begrip.

Synoniemen: "Operations are operations" (NAVO); "Operaties zijn operaties" (CLAS).

U.S. Army Field Manual 3-0 (Operations) omschrijft Full Spectrum Operations als:

"[...] an operational concept in which Army forces combine offensive, defensive, and stability or civil support operations simultaneously as part of an interdependent joint force to seize, retain, and exploit the initiative, accepting prudent risk to create opportunities to achieve decisive results."

("[...] een operationeel concept waarin landstrijdkrachten, als onderdeel van een onderling afhankelijke joint strijdmacht, tegelijkertijd offensieve, defensieve, stabiliserende en civiel-ondersteunende operaties combineren om, met aanvaard risico, het initiatief te nemen, behouden en uit te buiten om mogelijkheden te creŽren met het doel beslissende resultaten te boeken.")

Operaties kunnen in het gehele conflictspectrum (geweldsspectrum) plaatsvinden, met alle daarbij behorende campagnethema's (campaign themes) en gerelateerde tactische activiteiten (tactical activities):

CAMPAGNETHEMA'S

 

TACTISCHE ACTIVITEITEN

Combat

 

Offensief

Security

 

Defensief

Peace Support Operations

 

Stabiliserend

Peace Time Military Engagement

 

Voorwaardenscheppend

Campagnethema's kunnen, evenals tactische activiteiten, gedeeltelijk samenvallen in tijd of plaats, in combinaties voorkomen of in elkaar overgaan: elk conflict kan op elk moment op allerlei locaties verschillende niveaus van geweldsintensiteit met zich meebrengen.

Omdat het geweldsniveau in het conflictspectrum tijdelijk en plaatselijk kan variŽren en niet voorspelbaar is in welke omstandigheden militairen worden ingezet, moeten militairen een breed scala aan - potentieel gelijktijdige - activiteiten in het conflictspectrum kunnen uitvoeren.

Offensief

Offensive

Defensief

Defensive

Stabiliserend
(Stabiliteit & Wederopbouw)

Stability & Reconstruction

Voorwaardenscheppend
(Civiele ondersteuning)

Civil Support

De Koninklijke Landmacht kan combinaties van offensieve, defensieve, stabiliserende en voorwaardenscheppende operaties in elke omgeving en op alle geweldsniveaus uitvoeren.

Dit houdt in dat optreden noodzakelijk kan zijn in een grootschalig conflict met een hoog geweldsniveau, maar bijvoorbeeld ook dat kan worden gedreigd met geweld, geweld kan worden toegepast om een veilige omgeving te creŽren die wederopbouw mogelijk maakt of humanitaire hulp kan worden geboden.

Militairen moeten een breed scala aan - potentieel gelijktijdige - activiteiten in het gehele conflictspectrum (geweldsspectrum) kunnen uitvoeren. In dit conflictspectrum kan het geweldsniveau tijdelijk en plaatselijk variŽren.

De ene dag worden nutsvoorzieningen hersteld of humanitaire noden gelenigd, de volgende dag vinden huis-aan-huis-gevechten plaats of wordt een opstand neergeslagen.

Bron: Allied Joint Doctrine for the Conduct of Operations (AJP-3 (B).

Zie ook: joint.

Terug naar Boven

 

FUNCTIECLUSTER

Samenbrengen van een aantal functies in fysieke belastbaarheid binnen een bepaald wapen- of dienstvak. De clustering heeft niets te maken met geslacht noch leeftijd, maar met de fysieke zwaarte van functies.

Na het geneeskundig onderzoek - audiometrie (orentest), optometrie (ogentest), fysiotherapie en een test naar conditie, coŲrdinatievermogen en spierkracht – wordt op grond van vijf taken (dragen, graven, klimmen en klauteren, lopen met/zonder bepakking en tillen) de fysieke belastbaarheid vastgesteld. De uitslag hiervan is(mede)bepalend of de kandidaat geschikt is voor een aanstelling als militair en, zo ja, voor welk functiecluster de kandidaat in aanmerking kan komen.

De kandidaat solliciteert naar een functiecluster, bij gebleken dienstgeschiktheid adviseert het Instituut Keuring en Selectie (IKS) op de Marinekazerne in Amsterdam – aan de hand van opleiding, competenties, ervaring, eigen voorkeur en marktwerking – welke functie(s) binnen het opgegeven functiecluster kan/kunnen worden vervuld.

Bij de Koninklijke Landmacht zijn op grond van richtlijnen van de Directie Personeel & Organisatie (DP&O) geneeskundige criteria opgesteld, die zijn onder te verdelen in vier functieclusters (1 t/m 4), waarbij 1 de laagste en 4 de hoogste is:

1

administratie
geneeskundige eenheden (*)
staven
verbindingsdienst

 

2

artillerie
geneeskundige eenheden (*)
logistieke eenheden
luchtdoelartillerie
technische dienst/hersteleenheden

 

3

bergingspersoneel
duikers van de genie
geneeskundige eenheden (*)
genie
gevechtsondersteunend personeel bij pantserinfanterie- en tankbataljons
laders Leopard 2A6

 

4

antitankers, tirailleurs en verkenners bij pantserinfanteriebataljons
Korps Commandotroepen (KCT)
Luchtmobiele Brigade

* Tenzij hoger ingedeeld. Met gebruikmaking van het ‘Fysiek Profiel KL’ en informatie verstrekt door Marion Deighton, Koninklijke Landmacht, Afdeling Werving.

Terug naar Boven

 

FUNCTIETEKENS

Op pelotons- en groepsniveau zijn er de volgende functietekens:

Pelotonscommandant (PC)

Opvolgend pelotonscommandant (OPC)

Groepscommandant

Plaatsvervangend groepscommandant

Geweerschutter

Gewondenverzorger

Anti-tankschutter

Mitrailleurschutter

Terug naar Boven

 

FUNCTIONEEL LEEFTIJDSONTSLAG

Afgekort: FLO.

De militair die met functioneel leeftijdsontslag gaat - en dus ten opzichte van de AOW-leeftijd vroeger uittreedt dan burgers - krijgt op basis van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) een uitkering.

Militairen die zijn doorgestroomd naar fase 3 in het Flexibel Personeelssysteem Defensie (FPS) worden tot aan hun FLO (uitstroom) begeleid.

De ontslagleeftijd is geregeld in het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). De militair wordt verplicht ontslagen omdat hij de leeftijd voor Leeftijds Ontslag Militairen (LOM) bereikt, aangeduid als FLO. Feitelijk is de naamgeving FLO niet juist, omdat er geen relatie is tussen de door de militair beklede functie en het ontslag.

Oorspronkelijk was de LOM-leeftijd voor militairen van de Koninklijke Landmacht 55 jaar, maar in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 2000-2001 is de leeftijd voor de sector Defensie verhoogd naar 58 jaar voor alle militairen die na 1 januari 2002 instromen, ongeacht hun rang of krijgsmachtdeel. Voor militairen die vůůr 1 januari 2002 in dienst zijn getreden is in het AMAR een overgangsregeling tot 2014 vastgelegd.

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie 2004-2007 is de LOM-leeftijd van 58 jaar vanaf 2013 verder verhoogd naar 60 jaar. Hierbij is de geldende overgangsregeling in het AMAR aangepast; de nieuwe overgangsregeling eindigt in 2026.

De leeftijdsontslagen militair (b.d.'er) ontvangt de UGM-uitkering totdat het ABP - het pensioenfonds voor overheid en onderwijs - op de pensioengerechtigde leeftijd (AOW-leeftijd) overgaat tot het uitkeren van het ouderdomspensioen volgens de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Voor alle overheids- en onderwijspersoneel, dus ook militairen, heeft de regering vastgesteld dat de AOW-leeftijd in stapjes zal worden verhoogd naar 67 jaar in 2021.

Een militair die in 2016 op 60-jarige leeftijd met FLO gaat, krijgt de UGM-uitkering derhalve tot zijn 67e levensjaar. De UGM-uitkering is een overbruggingsuitkering: de jaren tussen de LOM-leeftijd en de AOW-leeftijd worden het AOW-gat genoemd. Militairen worden geconfronteerd met de negatieve gevolgen van het ontbreken van AOW na hun FLO.

De UGM-uitkering is gebaseerd op het maximumsalaris dat de militair in zijn eindrang heeft genoten, de tabel uit het meest actuele Inkomstenbesluit militairen (IBM) en inclusief:

► vakantie- en eindejaarsuitkering

► Vergoeding voor Extra Beslaglegging (VEB-toelage)

► eventuele pensioengevende toelagen op de datum van de UGM

Ongeacht de rang is de hoogte van de UGM-uitkering 73% van het laatstgenoten salaris, inclusief de VEB-toelage.

Terug naar Boven

 

FUNCTIONERINGSGRATIFICATIE

Beloning die door de commandant kan worden toegekend aan de militair die zich tijdens het verblijf in werkelijke dienst bijzonder heeft onderscheiden door optreden of gedragingen dan wel door buitengewone toewijding of bijzondere loffelijke dienstverrichtingen, naar bij ministeriële regeling te stellen regels.

Dit is vastgelegd het Inkomstenbesluit militairen (IBM, artikel 13; MP 31-400, nr. 1000) en de Inkomstenregeling militairen (IRM, artikel 5; MP 31-400, nr. 1100) en is ook het geval voor geschenken (van boekenbon tot computer) en (incidentele) geldelijke beloningen.

De functioneringsgratificatie is altijd individueel van aard, eenmalig of meerjarig, wordt toegevoegd aan het persoonsdossier en uitgereikt door leidinggevenden. Het maximumbedrag van een beloning wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Uitbetaling van de functioneringsgratificatie vindt plaats via PeopleSoft.

Daarnaast kunnen op grond van de Aanwijzing Waarderingen Koninklijke Landmacht, d.d. 22 november 2001, andere blijken van waardering worden toegekend aan zowel militairen als burgers die buitengewone toewijding of bijzonder loffelijk optreden hebben getoond. Dit zijn de Bronzen Soldaat, het Bronzen Schild (hoogste groepswaardering, inclusief een draagspeld voor ieder groepslid), de Draagspeld Commandant Landstrijdkrachten, het Erekoord (“Rood Koord”) en, als schriftelijke blijk van waardering, de tevredenheidbetuiging met oorkonde (zowel individueel en groepsgewijs).

Terug naar Boven

 

FUSELIER

Füsilier.
fusilier.
fusilier.

Soldaat bij de (lichte) infanterie, met name in de laagste rang (soldaat), met als wapen een geweer (Frans: fusil).

In de 17e eeuw onderscheidde de schutter met een vuursteenslotgeweer (flintlock musket) zich van de lansier (de cavalerist bewapend met een lans en, in de regel, een pistool en sabel) en de musketier (soldaat bewapend met een musket/lontslotgeweer, matchlock musket).

Het vuursteenslotgeweer was betrouwbaarder en veiliger in het gebruik dan de musket.

De term fuselier werd voor het eerst gebruikt door het Franse leger in 1670, toen in elke infanteriecompagnie vier fuseliers werden ingedeeld.

Ter bescherming van de artillerie richtte Lodewijk XIV in 1671 het Rťgiment des Fusiliers du Roi op, onder bevel van de latere maarschalk Sťbastien Le Prestre de Vauban (1633-1707).

Fuseliers waren aanvankelijk, onder andere in het Franse en Pruisische leger, de keursoldaten die ter ondersteuning bij de artillerie werden ingedeeld.

Aan het einde van de 18e eeuw werd de fuselier/geweerschutter een gangbaar begrip voor iedere infanterist die juist niet tot een keurcompagnie (grenadiers, jagers, voltigeurs) behoorde.

JAN FUSELIER

De koloniale Nederlandse soldaat van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) had volgens velen bepaalde karaktertrekken.

Jan Fuselier was eerlijk, goedhartig, hield ervan te worden aangepakt door zijn militair meerdere en was er als men hem nodig had.

De keerzijde in de toenmalige Europese koloniale samenleving was dat de lagere militair, zoals de fuselier, in het algemeen niet als "ten volle waardig" werd gezien.

De naam komt voor in 'Jan Fuselier. Schetsen uit het Indische soldatenleven' (1916) van Maurice Henri du Croo, voormalig luitenant der infanterie bij het KNIL. Du Croo beschrijft in 21 verhalen het dagelijks leven en de problemen van de gewone (Nederlandse) koloniale soldaat.

De roman 'Jan Fuselier' (1934) van Simon Franke gaat over het harde leven van de KNIL-soldaat in IndiŽ.

Een fuselier van het Regiment Zwitsers No. 31.

Dit was een van de vier 'gehuurde' Zwitserse infanterieregimenten die Koning Willem I wierf toen Nederland na de val van Napoleon in 1815 geen eigen leger had.

Bij Koninklijk Besluit van 31 december 1828 werden de Regimenten Zwitsers ontbonden.

In Nederland wordt de naam tegenwoordig nog gebruikt in het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene.

Op 12 maart 1952 verleende Koningin Juliana het predikaat 'Fuseliers' aan het Garderegiment Prinses Irene - vanaf dat moment: Garderegiment Fuseliers Prinses Irene (GFPI).

Soldaten bij het regiment hebben sindsdien de aanspreektitel 'fuselier'. Alle andere rangen mogen aan hun rang 'der fuseliers' toevoegen; de sergeant bij het GFPI is dus sergeant der fuseliers.

Militair van 17 Pantserinfanteriebataljon Garderegiment Fuseliers Prinses Irene.

Zie ook: 17 Pantserinfanteriebataljon en Prinses Irene Brigade.

Terug naar Boven

 

FUSILLEREN

Uitgesproken als: “fuuziejeeren”. Van het Franse “fusiller”.

Het voltrekken van de doodstraf bij een veroordeelde door een militaire rechtbank (krijgsraad) door gebruik te maken van vuurwapens.

Hoewel fusilleren met name in oorlogstijd wordt toegepast, vindt de terechtstelling in beginsel niet standrechtelijk plaats. De feitelijke voltrekking van deze militaire strafoefening vindt plaats door een vuurpeloton, waarvan alle leden tezelfdertijd met een geweer op de (geblinddoekte) veroordeelde schieten met als doel deze ter dood te brengen.

Terug naar Boven

 

FX

Simulatiemunitie Field Exercise; (oefen)markeerpatroon.

Niet-lethale munitie waarin een combinatie van zeep en niet-toxische verf wordt verschoten.

De patroon geeft een kleurmarkatie (rood vijand, groen eigen troepen) en slechts een lichte pijnsensatie. De handelingen aan het wapen zijn hetzelfde als bij het schieten met scherpe munitie. Hierdoor kan met FX-munitie realistisch worden geoefend.

Een organiek kleinkaliberwapen (Diemaco 5.56 mm of Glock 9 mm) kan eenvoudigweg worden omgebouwd worden tot een wapen dat (semi-)automatisch met FX-munitie kan schieten. Hierdoor kan optimaal invulling worden gegeven aan het principe train as you fight.

Met FX-munitie kunnen gevechtssituaties op (zeer) korte afstand (tot Ī 15 meter) binnen en rondom ingerichte gebouwen en ruimtes worden beoefend. Hiertoe moet wel beschermende kleding (gezichts- en/of keelmasker) worden gedragen.

Terug naar Boven

 

FYSIEKE DISTRIBUTIE

In 1998 is het nieuwe operationele vervoersconcept Fysieke Distributie (FD) van de Koninklijke Landmacht geÔntroduceerd. Het FD-traject loopt vanaf het basisdepot in Nederland tot en met de logistieke basis (logbase) in het inzetgebied. Het traject kan worden onderverdeeld in:

Leverancier

Basisdepot

Groupagepunt

Point of Embarkation (POE)

Point of Debarkation (POD)

Voorraadcentrum (VC)

Aanvulcentrum (AC)

Gebruikende eenheid

Schematisch:

Keten van de Fysieke Distributie.

Het vervoersconcept voorziet in de operationele behoefte voor het vervoer van bulkgoederen (brandstof, munitie e.d.) én het vervoer van bij eenheden ingedeeld groot materieel (onderdeelsvervoer). Als gevolg van de introductie van FD zullen de aantallen bevoorradingspersoneel, chauffeurs en monteurs kleiner worden.

De nieuwe logistieke organisatie is geŽnt op het ondersteunen van ťťn eenheid van brigadegrootte (X) in het kader van vredesafdwingende (Peace Enforcing) operaties en tegelijkertijd dient een Peace Support Operation van bataljonsgrootte (II) ondersteund kunnen worden.

Uitgangspunt van het FD-concept is het realiseren van:

Minimale voorraden

Voorraadbeheersing

Gegarandeerde levering

Brengplicht van de logistieke eenheid naar de gebruikende eenheid in plaats van de huidige haalplicht; brengplicht komt voort uit push- en pull-factoren:

PUSH is de herbevoorrading die door de FD-eenheid zelf wordt gerealiseerd op grond van planningsgetallen

PULL is de herbevoorrading op grond van logistieke aanvraag van de vragende eenheid

Aansluiting op civiele standaarden

20-voet-container

Ladingen opgeslagen in containers en flatracks (vlakke laadvloer die is gebaseerd op de maatvoering van de 20 ft’container) zijn niet langer gekoppeld aan een voertuig, maar worden onafhankelijk van het voertuig ingezet

Met behulp van wissellaadsystemen; hiertoe wordt de Scania vrachtauto 165 kN/WLS (Wissel Laad Systeem) ingevoerd.

Standaardisatie leidt tot vergroting van de interoperabiliteit

Zowel met civiele toeleveranciers als met andere NAVO-landen.

Tracking & Tracing

De lading kan in de gehele vervoersketen worden gevolgd, bijvoorbeeld met behulp van GPS en GSM, zodat op elk moment bekend is welk materieel zich op welke plaats bevindt; hiertoe wordt elk artikel, elke container en elk voertuig voorzien van een sticker met barcode

Scania vrachtauto 165 kn 8x8 ten behoeve van het wissellaadsysteem (WLS).

De twee Fysieke Distributie (FD)-bataljons zijn 100 en 200 Bevoorradings- en Transportbataljon, beiden gestationeerd op de Generaal-majoor Kootkazerne in Garderen en de Majoor Mulderkazerne in Stroe.

Zie ook: aanvulcentrum (AC), Bevoorrading & Transport Commando (B&T Co), logistiek, Point of Disembarkation (POD), Point of Embarkation (POE), pull, push en Scania vrachtauto 165 kN/WLS (Wissel Laad Systeem).

Terug naar Boven

 

FYSIEKE INZETBAARHEIDS TEST

Afgekort: FIT. Individuele test volgens het FIT Reglement om te beoordelen of een militair beschikt over de specifieke fitheid die vereist is voor zijn functie: functiespecifieke fitheid.

De FIT is niet leeftijds- noch geslachtsgebonden, maar gerelateerd aan functiespecifieke fitheidseisen.

De functiespecifieke fitheidseisen zijn gekoppeld aan een functieclusterindeling, waarbij functies met vergelijkbare fysieke profielen zijn gegroepeerd in clusters. De functies zijn ingedeeld in vier verschillende clusters op basis van fysieke functie-eisen voor de fysiek meest zware taken.

De FIT test individueel de fysiek zwaardere belasting, waarbij de functionaris dient te voldoen aan eisen die uitstijgen boven de Militaire Basis Eisen (MBE) - zoals die worden beproefd bij het testen van de algemene fitheid in de conditieproef of Couzy-test.

Alle militairen werkzaam binnen de Koninklijke Landmacht nemen deel aan de FIT.

De commandant neemt minimaal ťťnmaal per kalenderjaar de FIT op in zijn Opleidings- en Trainingsplan. Voor de organisatie, uitvoering en resultaatverwerking wordt medewerking verleend door personeel van de LO/Sportorganisatie.

Onderstaand de vijf activiteiten van de FIT:

► Verplaatsing te voet (VTV) van 5 km met basisgevechtsuitrusting (BGU): opsvest, helm en persoonlijk wapen (12Ĺ kg)

Hindernisbaan

► Til- en draagtest van 20, 30 of 40 kg, afhankelijk van de functieclusterindeling

Snelmars van 3 km

► VTV van 5, 10 of 15 kilometer, afhankelijk van functieclusterindeling, met BGU en rugzak minus daypacks (25 kg)

Vanaf 1 januari 2014 zijn de nieuwe functieclusterindeling en het hierop aangepaste FIT Reglement van kracht.

Terug naar Boven

 

Laatste update:16.11.2016