COUNTER-INSURGENCY
Terug naar de homepage
 

Maak uw keuze uit de hieronder getoonde lijst

 

DEFINITIE COUNTER-INSURGENCY

Er zijn intussen wereldwijd tientallen definities van counter-insurgency, afgekort COIN. Frans: contre-rébellion (CREB).

Geen enkele omschrijving is helemaal sluitend, maar algemeen geldt dat counter-insurgency gaat om de politieke en/of militaire actie tegen insurgents. Het primaire doel hierbij is de randvoorwaarden te scheppen voor peace support door de insurgents te neutraliseren en de ontwikkeling of het herstel van een stabiel bestuur te ondersteunen. Insurgents zijn guerrilla’s, opstandelingen, rebellen en strijdgroepen. Vergelijk de definitie van guerrilla: "Oorlogvoering waarbij kleine gewapende groepen op onverwachte momenten toeslaan en een grotere militaire macht voortdurend op zwakke punten proberen te raken."

Omdat het effect van de strijdmethoden van de insurgents is gelegen in het intimideren, provoceren, uitputten en vertragen van de reguliere troepen, wordt het gestelde doel van counter-insurgency bereikt door deze acties te voorkomen dan wel te neutraliseren.

Een andere naam is contra-guerrilla en de Amerikanen noemen het één van de vormen van counter-warfare. Algemeen kan worden gesteld dat counter-insurgency een vorm is van irregulier optreden en asymmetrische oorlogsvoering. Er bestaat géén gestandaardiseerde operatietechniek voor counter-insurgency.

In de nieuwe Allied Joint Publications 01 (Allied Doctrine) en 03 (Joint Operations) van de NAVO wordt in het 'spectrum of conflict' tussen vreedzame interactie en oorlog ("full-scale war") een onderscheid gemaakt in:

  • Major Combat
  • Counter Insurgency (COIN)
  • Peace Support
  • Peacetime Military Engagement

De huidige operaties in Afghanistan (Uruzgan) vertonen absoluut eigenschappen van COIN. In Uruzgan is het uitvoeren van counter-insurgency geoorloofd onder de toepasselijke Rules of Engagement (ROE). Wél moet voor ogen worden gehouden dat counter-insurgency alleen een optie is bij aanwezigheid van insurgents…

Ook deze omschrijving geeft echter ruimschoots gelegenheid tot discussie. Beschrijvingswijzen van COIN zijn de Nederlandse 3D-doctrine (Defence, Development, Diplomacy) en het van origine Amerikaanse Clear, Hold, Build.

Zie ook: 3D-doctrine, asymmetrische oorlogvoering, Clear, Hold, Build en irregulier optreden.

Terug naar Boven

 

Terug naar Boven

 

IRREGULIER OPTREDENDE TEGENSTANDER

Counter-insurgency bestaat erin dat georganiseerde groeperingen op grote schaal geweld toepassen om het openbaar bestuur in een land te verstoren. Binnen de Nederlandse militaire handboeken valt counter-insurgency onder de ‘gevechtsoperaties tegen een irregulier optredende tegenstander’, zoals die doctrinair is beschreven in de Landmacht Doctrine Publikatie IIC (2003). In Uruzgan wordt hiervan gebruik gemaakt. De LDP IIC is gebaseerd op de NAVO-doctrine.

Wanneer gevochten wordt tegenover een regulier optredende vijand zijn de voordelen van een technologisch overwicht evident, getuige de Kosovo-oorlog (1999) of de twee Golfoorlogen (1991 en 2003). Wanneer gevochten wordt tegen een irregulier optredende vijand, legt het technologische voordeel aanmerkelijk minder gewicht in de schaal. De Amerikaanse nederlaag in Vietnam, de aftocht uit Somalië en de moeite die de VS heeft om in Afghanistan en Irak de hearts and minds van de lokale bevolking te winnen en de openbare orde te handhaven. Daarnaast waren de Russen in Afghanistan en Tsjetsjenië ook niet opgewassen tegen guerrillastrijders, terreur en hit-and-run acties. In Nederlands-Indië voerden op het hoogtepunt ruim 150.000 oorlogsvrijwilligers, een Mariniersbrigade, dienstplichtigen en KNIL-militairen strijd tegen een irregulier optredende tegenstander…

Karakteristieken van de bijzondere dynamiek van de modus operandi van irregulier optredende tegenstander:

  • aanvallen zijn goed voorbereid, in detail gepland en worden vanuit een hoger niveau aangestuurd
  • bereidheid offers, zoals grote aantallen slachtoffers, te accepteren en het conflict lang voort te zetten
  • beschikken niet over hightech wapens
  • beweeglijk, verrassend en verdekt optreden, veelal ’s nachts en vanuit bedekt en onoverzichtelijk terrein, waarbij het effect van verrassing maximaal kan worden uitgebuit
  • geen frontlinie; onoverzichtelijk gevechtsveld
  • gericht op het scheppen van chaos en verwarring, schrik aanjagen en schade toebrengen
  • indoctrinatie van én steun verkrijgen onder de bevolking zijn primair; afhankelijkheid van de bevolking (*)
  • moeilijk te lokaliseren (vinden) en onder waarneming te houden
  • passen niet-conventionele gevechtstactieken toe; gewelddadige incidenten (aanslagen met bermbommen, beschietingen vanuit hinderlagen en zelfmoordaanslagen) worden niet geschuwd
  • steunen niet op omvangrijke logistiek
  • tijdelijk en plaatselijk een hoge geweldsintensiteit
  • verplaatsen zich bij voorkeur te voet of in civiele voertuigen

(*) Mao Zedong zei het in ‘Aspects of China's Anti-Japanese Struggle’ (1948): “The people are like water and the army is like fish”. De guerrillastrijders zijn de vissen, het water is het volk, waartussen en waarvan zij leven. Vissen kunnen niet leven zonder water; wanneer de steun van de bevolking wegvalt, valt de ‘vis’ droog en overleeft hij het niet. Wanneer de bevolking haar steun ontzegt aan een van de partijen, dan is deze partij gedoemd te falen.

Terug naar Boven

 

SYMPOSIUM NIMH & KVBK, 15 NOVEMBER 2007

Op 15 november 2007 organiseerden het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en de Koninklijke Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap (KVBK) in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag een symposium onder de titel ‘Counter-Insurgency: Historical Roots and Relevance’.

Door de conflicten in Irak en Afghanistan staat counter-insurgency vol in de belangstelling. Counter-insurgency deskundigen en doctrineschrijvers lijken het tegenwoordig eens over de bevolkingsgerichte aanpak bij het bestrijden van een gewapende opstand (hearts and minds).

De Amerikaanse strategisch denker Edward Luttwak (1942) wees er echter op dat de meeste opstanden in de geschiedenis succesvol werden onderdrukt door geweld en dwang. Tijdens het symposium werd een vergelijking getrokken met ervaringen uit het koloniale verleden.

Vragen die tijdens het symposium aan bod kwamen waren:

  • Wat is counter-insurgency? Is het terecht dat het Britse ‘hearts and minds’-model, zoals toegepast in Maleisië is verheven tot schoolvoorbeeld? 
  • Hoe verliep de bestrijding van opstanden in voormalig Nederlands-Indië? Wat valt er van de Nederlandse counter-insurgency ervaring te leren?
  • Op welke wijze wordt de recente ervaring in Irak gebruikt bij het herschrijven van de klassieke Britse counter-insurgency doctrine?
  • Hoe heeft de Amerikaanse militaire geschiedenis de nieuwste counter-insurgency doctrine van de Amerikaanse krijgsmacht beïnvloed? 
  • Waarom is civiel-militaire samenwerking bij hedendaagse counter-insurgency campagnes complexer dan in het koloniale verleden?    

Sprekers waren prof. dr. Ian Beckett (University College, Northampton), dr. Conrad Crane (U.S. Army Military History Institute), mr. David Hazel (U.K. Ministry of Defense), dr. Jaap de Moor (NIMH) en dr. Thijs Brocades Zaalberg (NIMH).

Verslag van het symposium in Defensiekrant 43, 2007 (© Directie Voorlichting en Communicatie Ministerie van Defensie).

Terug naar Boven

 

COIN, URUZGAN EN ATJEH

De hoofdsteden liggen ruim 4.000 km uit elkaar en daarmee lijkt alles gezegd: Tarin Kowt in Uruzgan (Afghanistan) en Banda Atjeh – het vroegere Kota Radja – in Atjeh (Indonesië). Beide landen zijn grotendeels islamitisch, beide landen hebben een roerige strijd met de Nederlanders gemeen.

Op 26 maart 1873 werd generaal-majoor J.H.R. Köhler belast met de eerste militaire expeditie van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger tegen de sultan van Atjeh en onderhorigheden in de dichtbegroeide valleien van Sumatra. De sultan beschikte over goed bewapende en getrainde soldaten, die er al na 20 dagen in slaagden Köhler en 60 anderen te doden; 500 Nederlanders raakten gewond. Zo kwam aan deze eerste expeditie een abrupt einde, maar de Nederlanders maakten zich op voor een langdurige en bloedige strijd. Op 12 december 1873 begonnen zij aan een tweede militaire expeditie, maar de fanatieke pogingen om het kleine islamitische sultanaat in de noordwestelijke punt van het eiland Sumatra te veroveren, leverde serieuze problemen op: de bevolking bleef terugvechten. Met guerrillatactieken werden de Nederlandse expedities, forten en bevoorradingslijnen bestreden.

Pas in 1903, na vier Atjeh-oorlogen, lukte het generaal J.B. van Heutsz het merendeel van de opstandelingen in Atjeh te overwinnen, hoewel de Nederlanders er nooit in zijn geslaagd de bevolking volledig te knechten. De oorlog kostte ruim 10.000 Nederlandse mensenlevens en naar schatting het tienvoudige aan de kant van de bevolking, maar de koloniale veroveringsoorlog was voorbij. Van 1899 tot 1909, onder Van Heutsz, sneuvelden volgens de officiële telling slechts 508 Nederlanders en ruim het 40-voudige aan inwoners van Atjeh. De proeftuin voor de contraguerrilla – het doden van zoveel mogelijk opstandelingen – leek de beste manier om het land te pacificeren.

Decennialang hadden de Nederlanders vanuit fortificaties en vooruitgeschoven posten tevergeefs strijd gevoerd. Ten eerste lieten zij zich keer op keer verrassen door de opstandelingen, waardoor zij wel moesten reageren met strafcampagnes. Ten tweede mislukte de fortificatietactiek door een gebrek aan mankracht. Van Heutsz, geadviseerd door de arabist/islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje, gooide de strategie om: hij liet mobiele, goed bewapende patrouilles à la het Korps Marechaussee te voet – met Indische ‘minderen’ en Nederlandse officieren – diep de binnenlanden van het vijandelijk gebied in trekken om de opstandelingen te verrassen. Daarbij liet hij het platbranden van akkers en dorpen voor wat het was en propageerde hij gezondheidszorg en onderwijs om de lokale bevolking voor zich te winnen. De ‘oorlogsantropoloog’ Snouck Hurgronje kon met zijn kennis voor het KNIL spioneren, had door een grondige culturele analyse de zwakke en sterke kanten van de Atjehers blootgelegd en begreep als geen ander begreep hoe de angst voor de cultuur van de islam in elkaar stak.

De veranderingen onder Van Heutsz waren echter allesbehalve onomstreden. De patrouillegang werd uitgevoerd door jonge luitenanten, onder wie de ervaren houwdegen Gotfried van Daalen. Hij paste het geweld strikt toe, vernietigde ondanks orders van hogerhand toch meerdere dorpen en richtte een slachting aan met tenminste 2.900 Atjehse doden als gevolg. Zijn eenheid verloor slechts 26 man. Van Daalen ging in Atjeh zó tekeer tegen de bevolking dat Van Heutsz hem moest ontslaan. Hierdoor liep Van Heutsz' reputatie blijvende schade op.

Bovenstaande krijgsgeschiedenis overziend, is het niet zo vreemd dat de ruim één eeuw oude Van Heutsz-strategie uit Atjeh op een bepaalde manier een inspiratiebron kan zijn voor de strategie tegen de Taliban in Uruzgan.

Begin 21ste eeuw wordt met de Taliban een concurrentiestrijd gevoerd om de steun (afhankelijkheid) van de lokale bevolking: om het vertrouwen van de dorpsoudsten en stamhoofden te winnen, is binnen de Task Force Uruzgan aan elk dorp een peloton gekoppeld, geleid door een jonge luitenant. Er worden hoofdzakelijk (uitgestegen) patrouilles te voet uitgevoerd.

De ongeregelde oorlogsvoering van Atjeh – waarin irreguliere tegenstanders zich onder de bevolking verstopten en blijk gaven van een héél lange adem – is ook in Uruzgan aan de orde van de dag. Één van de initiators van een kansrijk operatieconcept in Uruzgan - counter-insurgency – was luitenant-kolonel Van der Sar, in Nederland bataljonscommandant van 12 Infanteriebataljon Luchtmobiel Air Assault (AASLT) Regiment Van Heutsz en in Uruzgan (van juli tot december 2006) de eerste commandant van de Battle Group van de Task Force Uruzgan (TFU-1). De overste Van der Sar schrijft het succes van de missie toe aan de pelotonscommandanten en hun pelotons. Zo patrouilleerden zijn militairen rond de klok, waardoor de Taliban minder gelegenheid had 's avonds en ’s nachts burgers te intimideren. De overste geloofde bovendien heilig in voetpatrouilles. Daarbij komt, stelt hij, dat een soldaat te voet zich maximaal bewust is van zijn omgeving (*1).

Vooraf verklaarde de overste Van der Sar (*2) dat bij de missie “de non-kinetische (opbouw) en de kinetische (toepassen van geweld) component met elkaar in evenwicht [dienden te] zijn.” In de eerste fase zou de nadruk liggen bij het zekerstellen van de veiligheid. De opbouw zou zich moeten beperken “tot de directe omgeving van de compounds, in een straal van zeg 5 – 20 km.” Vervolgens zal een olievlekwerking plaatsvinden, waarbij het naar verwachting “langer kan duren dan 2 jaar voordat heel Uruzgan gepacificeerd zal zijn.”

Terug naar Snouck Hurgonje in wie, met een beetje goede wil, de tribaal adviseur kan worden gezien die in Uruzgan de Nederlandse commandant adviseert. In Uruzgan geen harde repressie, zoals in het tweede deel van de Atjeh-oorlog, althans niet tegen iedereen. Tegen de kern van de opstandelingen, in Afghanistan ook wel Tier One Taliban (main forces: de harde kern uit het Pakistaans-Afghaanse grensgebied) genoemd, moet blijvend keihard worden opgetreden, zoals dat ook gebeurde tegen de opstandelingen van de sultan. Snouck Hurgonje adviseerde daarnaast om kortdurend “de voet op de nek” te zetten van de meelopers die door de sultan/Taliban in de dorpen zijn gerekruteerd – ofwel Tier Two Taliban (Village Taliban, local forces).

Het mag dan zo zijn dat de bevolking in zowel Atjeh als Uruzgan zoveel mogelijk moet worden ontzien, de praktijk is minder helder dan de theorie. Om te kunnen zegevieren op de frontloze Taliban in Uruzgan, zal zo nu en dan door middel van tijdelijk en plaatselijk artillerie- en/of luchtoverwicht (gerichte inzet van vuursteun) de status quo voor de Nederlanders moeten worden begunstigd. Dat voorkomt dat Nederland zich in afgelegen valleien kansloos laat terugdringen in statische verdedigingsposities in de vorm van forward operating bases (FOB´s) die logistiek bijzonder moeilijk te handhaven zijn…

Wat volgens de historici Ronald de Graaf (*3) en prof.dr. Wim Klinkert (*4) nodig is, is buitensporig geweld, “to out-terrorize the insurgents”, de vijandelijke strategie bevechten, zich evenals Van Heutsz in de Atjeh-oorlog aanpassen aan de tegenstander en bereid zijn het beleid om te gooien. Alleen op deze manier kan de Taliban in Uruzgan irrelevant worden gemaakt. Klinkert komt wel heel dwingend met de periode-Van Heutsz op de proppen: “De Atjeh-oorlog is nu veel relevanter voor het optreden in Uruzgan dan alle Europese militaire discours over de landsverdediging van de afgelopen 200 jaar”.

*1. Artikel ‘Stilte voor de storm in Uruzgan’, Noël van Bemmel, de Volkskrant, 7 september 2006.

*2. Artikel ‘Uruzgan: veel meer dan een vechtmissie’, Carré, juli/augustus 2006.

*3. Artikel Nederlanders in Uruzgan zijn veel te netjes, Ronald de Graaf, Historisch Nieuwsblad, nummer 5, 2008.

*4. Oratie Van Waterloo tot Uruzgan. De militaire identiteit van Nederland, prof. dr. Wim Klinkert, voorgelezen op 6 juni 2008 bij zijn benoeming tot hoogleraar Militaire Historie aan de Universiteit van Amsterdam.

Terug naar Boven

 

MARTIJN KITZEN

Op 19 maart 2009 was drs. Martijn Kitzen, promovendus krijgswetenschappen, één van de zes critici aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) die in debat ging met de Minister van Defensie Eimert van Middelkoop, de Commandant der Strijdkrachten generaal Peter van Uhm en voormalig Commandant Task Force Uruzgan kolonel Kees Matthijssen en Peter Mollema, voormalig civiel commandant in Uruzgan. In een universitaire nieuwsbrief in januari 2009 had het zestal vanuit hun vakgebied hun visie gegeven op Uruzgan

Kitzen is werkzaam op de Sectie Militair Operationele Wetenschappen van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en aan de leerstoelgroep ‘Nieuwste geschiedenis’ van de UvA. Zijn promotieonderzoek richt zich op Nederlandse ervaringen met counter-insurgency operaties. Daarnaast bestaat zijn werkterrein ook uit irreguliere oorlogvoering in algemene zin.

In de UvA-nieuwsbrief van januari 2009 stelde hij dat een intensieve samenwerking met lokale leiders in Afghanistan essentieel is voor een succesvol verloop van de missie in Uruzgan.

“Het is voor de Nederlandse krijgsmacht belangrijk om in combinatie met de Afghaanse overheid de lokale hoofden van de bevolking te overtuigen dat de weg van de Afghaanse regering de beste is. Dan krijg je vanzelf de rest van de mensen mee. Daarbij moet je trouwens niet alleen denken aan officieel aangestelde functionarissen, maar vooral aan de daadwerkelijke leiders, de hoofden van stammen en dorpen. Via die personen moet je ontwikkelingshulp aanbieden, zodat je kan laten zien dat je meer voor ze kunt doen dan de Taliban.”

Deze manier van opereren is niet vanzelfsprekend voor een krijgsmacht. Kitzen, die zelf in Uruzgan is geweest, beseft dat de strijd in Afghanistan enige aanpassing eist: “Bij de meeste oorlogen vindt er een strijd tussen twee legers plaats. In Afghanistan stuit de Nederlandse krijgsmacht echter op een vijand die deel uitmaakt van de bevolking of gebruik maakt van de bevolking. Het is de moeilijkste manier van oorlogsvoeren. Dat vergt een andere aanpak.”

De militaire tactiek die in deze gevallen wordt toegepast, heet counter-insurgency. Voor zijn promotieonderzoek vergelijkt Kitzen de manier van oorlogvoeren van het Nederlands-Indische leger tijdens de opstanden in Atjeh (van 1873 tot ongeveer 1913) met de huidige situatie in Uruzgan: “Eigenlijk lijkt het alsof bij elke counter-insurgencyoperatie het wiel opnieuw moet worden uitgevonden. Uit het Atjeh-conflict kan geconcludeerd worden dat een strijd tegen opstandelingen met behulp van lokale bevolkingshoofden een geduldige aanpak vereist. Toentertijd is het, door een gebrek hieraan, uitgelopen op een bloederige strijd. In Uruzgan begint de Nederlandse krijgsmacht langzaamaan te begrijpen dat samenwerking met lokale leiders weliswaar geduld vereist, maar veruit het beste werkt.”

Tot zover de nieuwsbrief van januari jl.

In de UvA-nieuwsbrief van april 2008 schreef Kitzen al dat de krijgsmacht anders moet gaan denken: “Westerse krijgsmachten zijn tegenwoordig vaak verwikkeld in counter-insurgency campagnes, die als doel hebben opstandelingen zoals de Taliban te verslaan met een spectrum aan militaire, politieke en sociaaleconomische maatregelen. De lokale bevolking vormt de sleutel tot de oplossing van het conflict. Counter-insurgency is daarom een gevecht met de opstandelingen om de gunst van de bevolking. Op zich is deze manier van optreden niets nieuws.” […]

“Nederlandse soldaten deden bijvoorbeeld, met wisselend resultaat, in Nederlands-Indië al veel ervaring op met het bestrijden van opstandelingen. Toch kost dit westerse troepen nog steeds veel moeite, ondanks de lessen uit het verleden. De hoofdstroom van het moderne westerse militaire denken heeft zich namelijk altijd gericht op het zogenaamde grootschalige conflict: oorlogen tussen massalegers van staten die de beschikking hebben over de nieuwste technologie, traditioneel militair optreden dus. Ook vandaag de dag overheerst deze benadering nog bij westerse strijdkrachten. Maar waar soldaten traditioneel alleen vechten, dienen zij bij counter-insurgency ook andere taken te vervullen. Dat vraagt om een omschakeling van zowel individuele militairen als de organisatie in zijn geheel. Dat het westerse militaire denken nog steeds beheerst wordt door het grootschalige conflict, leidt tot een verwarrende realiteit voor de soldaat in het missiegebied. Westerse legers zullen hun gedachtegoed en handelen moeten aanpassen aan deze werkelijkheid om een counter-insurgency tot een succesvol eind te brengen."

Terug naar Boven

 

DOCUMENTATIE

  
  
Field Manual 3-24 Counter Insurgency

 

Carré (maandblad Nederlandse Officieren Vereniging), 2007, nummer 1

 

Terug naar Boven

Terug naar Boven

 

links

Terug naar Boven

Afghaanse en Nederlandse troepen in de Baluchi-vallei, provincie Uruzgan

Terug naar Boven

 

INSURGENCY AND COUNTERINSURGENCY FROM 1800 TO THE PRESENT

36ste CIHM Congres 2010: 'Insurgency and Counterinsurgency'

Terug naar Boven

 

RISK-TRANSFER WAR

Door de Britse socioloog Martin Shaw (1947) gedefinieerde wijze van oorlogvoeren naar aanleiding van de Golfoorlog en de oorlogen in Kosovo, Irak en Afghanistan. Zijn theorie staat te boek in ‘The New Western Way of War: Risk-Transfer War and its Crisis in Iraq’ (Cambridge, Polity Press, 2005).

Martin Shaw is professor in de internationale betrekkingen en bekend om zijn sociologische werk over vooral oorlog, genocide en wereldpolitiek.

Zijn redenering luidt als volgt: de steun aan het thuisfront slinkt naarmate er meer slachtoffers vallen onder de eigen troepen. Daarom zal het militaire apparaat verliezen zo veel mogelijk willen beperken: de wil om betrokken te raken bij dodelijke gevechten zal afnemen.

Oorlogsvoering in de 21ste eeuw moet anders worden geïnterpreteerd dan voorheen: naties verklaren de oorlog niet meer, maar voeren interventies en operaties uit. Vanuit westers perspectief zijn militaire campagnes bij voorkeur beperkt in tijd en spelen ze zich af in een ver afgelegen gebied (out-of-area), waardoor de economische, politieke en sociale relaties op het thuisfront niet worden geschaad. De risico’s voor de eigen samenleving moeten zo klein mogelijk worden gehouden.

Het politieke besluit tot militair ingrijpen wordt grof-gedetailleerd en zorgvuldig gevormd, waarbij – in het licht van (politieke) haalbaarheid en wenselijkheid – de kosten zo minimaal en de baten zo maximaal worden gemaakt. In Nederland krijgt de politico-militaire besluitvorming vaste vorm met het Toetsingskader en de Artikel 100-brief.

Om de politieke en electorale risico’s voor regeringen zo klein mogelijk te maken, krijgen de militairen ook een zo groot mogelijke bescherming. In dit verband zette Nederland in de Afghaanse provincie Uruzgan bijvoorbeeld de PZH 2000-pantserhouwitser en het zwaargepantserde Bushmaster-infanterievoertuig in.

Alle beschermingsmaatregelen (force protection) botsen niet alleen met de sword-to-tail-ratio – slagkracht versus bescherming, anders gezegd: hoeveel gevechtskracht wenst een strijdmacht te reserveren voor bescherming, onder andere van de logistiek – maar ook met het streven het aantal burgerslachtoffers te willen beperken.

Binnen de nieuwerwetse conflicten die worden aangeduid met counter-insurgency, zijn strijdmachten die in het kader van hearts and minds integreren met de burgerbevolking in het voordeel. Hierbij is uitgestegen, ongepantserd optreden feitelijk onontkoombaar. Maar het lijkt er alleszins op dat westerse staten en hun strijdmachten de bescherming van hun eigen troepen stellen boven het voorkomen van onschuldige burgerslachtoffers.

Het doden van burgers kan dan ook niet langer worden gezien als ongelukkig, toeval of collateral damage; het lijkt intussen zo gemeengoed geworden dat Martin Shaw in dit verband spreekt over “militarism of small massacres”.

Het beperken of zelfs mijden van eigen risico’s lijkt een belangrijke karakteristiek van de huidige westerse manier van oorlogvoeren geworden. Het risicomijdend gedrag van westerse strijdmachten zorgt ervoor dat de kans op burgerslachtoffers (civilian casualties, CivCas) groter wordt: de nadruk komt immers meer te liggen op het gebruik van vuurkracht en andere hightech. Hiermee is de hedendaagse oorlog een “risk-transfer war” geworden.

Het idee van risicomanagement valt niet te rijmen met de precisiebombardementen, pinpoint-targeting en de - alles in aanmerking genomen - onvoorspelbare aard van oorlog, samengebald in de term frictie. Pogingen om sturing in oorlogvoering te krijgen en de risico’s te minimaliseren blijken uiteindelijk grote(re) risico’s voor de westerse strijdmachten te creëren.

Het gegeven van de “risk-transfer-war”stelt de legitimiteit van oorlogvoering opnieuw ter discussie. Risico’s aan eigen zijde worden zoveel mogelijk gemeden: het risico dat er slachtoffers vallen wordt  overgedragen van de eigen troepen op de burgerbevolking. En grote aantallen burgerslachtoffers zorgen er niet voor dat hearts and minds worden gewonnen – integendeel.

Op deze manier zorgt risicomijdend gedrag ervoor dat westerse strijdmachten aan het einde de strijd verliezen, met als neveneffect dat de steun aan het thuisfront opnieuw slinkt.

Bronnen:

◙ artikel ‘Westerse militaire cultuur en counter-insurgency. Een tegenstrijdige realiteit’, drs. M.W.M. Kitzen (promovendus aan Universiteit van Amsterdam en NLDA), Militaire Spectator, jaargang 177, nummer 3, 2008.
◙ artikel ‘Soep eten met een mes’, Dirk Vlasblom, NRC Weekend, bijlage Wetenschap, 2 april 2011, pagina 6 en 7.
◙ artikel ‘Stemmen over Afghanistan. En de risico’s van het vak’, prof. Dr. J.S. van der Meulen, Marineblad (uitgave van de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren KVMO), nummer 7, november 2008, jaargang 118.
◙ ‘ISAF Operaties in Afghanistan. Oorlogsrecht, doelbestrijding in counterinsurgency, ROE, mensenrechten en ius ad bellum’, Paul Ducheine & Eric Pouw, Wolf Legal Publishers, 2010.
◙ ‘ISAF en de rol van het humanitair oorlogsrecht in doelbestrijding tijdens een counterinsurgency’, E.H. Pouw & P.A.L. Ducheine, Research Paper 98, Nederlandse Defensie Academie (NLDA), Faculteit Militaire Wetenschappen, december 2009.

 Terug naar Boven

 

'SOEP ETEN MET EEN MES' - DIRK VLASBLOM

Op 2 april 2011 verscheen in NRC Handelsblad een alomvattend artikel over de moderne wijze van oorlogvoering. In het twee pagina’s grote artikel onder de titel ‘Soep eten met een mes’ gaat cultureel antropoloog Dirk Vlasblom in op counter-insurgency.

Zoals iedereen weet, eet je soep met een lepel, niet met ander bestek. Soep eten met een mes wordt een kliederboel en vordert nauwelijks.

Toen de Amerikaanse luitenant-kolonel John A. Nagl – na in Irak te hebben gevochten tegen opstandelingen (insurgents) – in 2005 zijn boek publiceerde over de overeenkomsten met eerdere militaire campagnes in Maleisië (Malayan Emergency, 1948-’60) en Vietnam (1950-’75), kreeg het niet voor niets de titel ‘Learning to Eat Soup with a Knife’. Ook het optreden tegen insurgents ontaardt gemakkelijk in een knoeiboel.

Het onder militairen populaire boek van Nagl werd een standaardwerk over counter-insurgency: de strijd tegen opstandelingen. De titel van dat boek is een verwijzing naar een uitspraak van een andere ingewijde op het gebied van oorlogvoering tegen insurgents: T.E. Lawrence.

Lawrence leidde in 1916-’18 de Arab Revolt. Zijn aforisme, dat Nagl tot zijn boektitel inspireerde, luidt: “Making war upon insurgents is messy and slow, like eating soup with a knife”. Net als het eten van soep met een mes, kost counter-insurgency veel tijd en leidt het tot collateral damage (nevenschade).

Bij counter-insurgency gaat het erom dat krijgsmachten de juiste balans zoeken in militaire en civiele krachtsinspanningen, en deze adequaat met elkaar integreren. Krijgsmachten moeten zich aanpassen aan veranderende, onvoorbereide omstandigheden in het verloop van conflicten.

KRIJGSKUNDE Reguliere legers die vechten tegen ongeregelde troepen, dat zijn de oorlogen van de 21ste eeuw. Westerse strijdkrachten hebben het er moeilijk mee.

Op 19 maart begonnen Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten een oorlog met een open einde. Verklaarde doelen: handhaving van een no-flyzone boven Libië en bescherming van de burgerbevolking tegen het wapengeweld van kolonel Gaddafi. Voor de deelnemende strijdkrachten is het conventionele deel van de operatie – vliegtuigen onderscheppen, luchtdoelgeschut vernietigen – gesneden koek, maar zo worden oorlogen niet gewonnen. Want wat gebeurt er als Gaddafi’s luchtmacht en artillerie zijn uitgeschakeld? De getrouwen van de kolonel zouden dan weleens hun toevlucht kunnen nemen tot terreur en stadsguerrilla. En de sluipschutters schakel je niet uit met kruisraketten. Mochten NAVO-eenheden zich gaan mengen in de machtsstrijd op de grond, dan hebben ze weinig aan conventionele militaire technologie. Dat is de les van Irak en Afghanistan.

‘De oorlogen van nu”, schreef het vakblad Militaire Spectator in 2008, "worden niet meer uitgevochten tussen gelijksoortige legers op een geografisch afgebakend slagveld, maar tussen reguliere strijdkrachten aan de ene, en niet-statelijke, ongeregelde strijdgroepen [milities, guerrillastrijders en terreurnetwerken] aan de andere kant."

Die tegenstanders zijn mobiel en kunnen zich onzichtbaar maken door op te gaan in de bevolking. De technische term voor deze oorlogen is counter-insurgency, COIN in militair jargon. Dat is een krijgsvorm waarin de tegenstander niet alleen militair moet worden verslagen, maar ook politiek, door hem te isoleren van de burgerbevolking. Informatie is daar cruciaal. Counter-insurgency moet het niet hebben van klassieke inlichtingen zoals aantallen tanks, vuurkracht en troepenbewegingen, maar van inzicht in aspiraties, waardesystemen en gezagsverhoudingen. Dat is eerder terrein van antropologen dan van militairen.

De beginselen van counter-insurgency zijn vastgelegd in handboeken, maar door hun militaire cultuur vallen westerse legers in de praktijk vaak terug op de skills en drills van conventionele oorlogsvoering. Die cultuur is afgestemd op strijd tussen gelijksoortige tegenstanders, terwijl strijdende partijen tegenwoordig in bijna alles verschillen, van strijdwijze tot opvattingen over oorlogsrecht. Sinds de oorlogen in Irak en Afghanistan zijn westerse strijdkrachten bezig hun militaire doctrines aan te passen aan deze krijgsvorm, waarvan de Amerikaan John Nagl, luitenant-kolonel buiten dienst en co-auteur van het nieuwe Amerikaanse COIN-handboek, zegt dat ‘dit zeker in de eerste helft van de 21ste eeuw de dominante vorm van oorlogvoering zal zijn’.

 Terug naar Boven

Asymmetrisch

De ommekeer voltrok zich in Irak, 2003. Die campagne begon als een moderne conventionele oorlog. De vijand werd eerst vanuit de lucht bestookt met lasergeleide bommen en kruisraketten en daarna rukten tankdivisies op naar Bagdad. Maar zodra Saddam Husseins Republikeinse Garde was verslagen begon een heel andere asymmetrische krachtmeting. Amerikaanse en Britse tankbataljons stonden plotseling tegenover ongeregelde groepjes opstandelingen, die zich bedienden van autobommen en sluipschutters.

John Nagl vocht in 2003-2004 als bataljonscommandant in de Iraakse provincie Al Anbar. Over zijn ervaringen schreef hij: "Inzicht in tribale loyaliteiten, politieke motivaties en familiebanden bleek essentieel om de vijand te kunnen verslaan. Het leek meer op het oprollen van een maffiasyndicaat dan op het ontmantelen van een conventionele vijandelijke brigade. Met diagrammen werd in kaart gebracht wie met wie sprak. Dat werd de dagelijkse routine voor een kleine inlichtingenstaf die gewend was het bereik van vijandelijke artilleriesystemen te analyseren."

 Terug naar Boven

Brits succes

Nagl promoveerde in Oxford op een studie over counter-insurgency waarin hij de succesvolle Britse campagne tegen de communistische guerrilla in Maleisië (1948-1960) vergeleek met het Amerikaanse fiasco in Vietnam (1964-1975). Het Maleisische succes was niet zo gemakkelijk te kopiëren. Het Britse leger was vertrouwd met het terrein en met de bevolking en had zijn organisatie geleidelijk aangepast aan oorlogsvoering in de jungle. De leider van de campagne, veldmaarschalk Gerald Templer, zei: "Het antwoord is niet meer troepen sturen, maar de harten en hoofden winnen van de bevolking." Winning hearts and minds, het is hem later vaak nagezegd, maar daarbij wordt vergeten dat hij hele gemeenschappen liet deporteren en concentreren in strategische dorpen om hen af te snijden van de rebellen. Zoiets kan alleen onder koloniale verhoudingen.

De titel van Nagls proefschrift, 'Learning to eat soup with a knife', is ontleend aan een andere Brit: Thomas Edward Lawrence. Deze archeoloog en kenner van Arabische wereld leidde tijdens de Eerste Wereldoorlog als inlichtingenofficier de Arabische opstand tegen de Turken en kreeg zo de bijnaam ‘Lawrence of Arabia’. In 1926 schreef hij: "Oorlog voeren tegen opstandelingen is als soep eten met een mes; het wordt een knoeiboel en het schiet niet op." Die metafoor kan ook zo worden gelezen: mensen aan jouw kant krijgen gaat minder goed met een wapen in de hand. Nagl bevestigt in zijn boek een algemene wijsheid van counter-insurgency: het is voor 20 procent vechten en voor 80 procent politiek.

De Nederlandse John Nagl heet Martijn Kitzen. Hij volgde de officiersopleiding aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) in Breda en diende als pelotonscommandant en inlichtingenofficier. Hij studeerde daarnaast politicologie in Leiden en doceert nu bij de vakgroep Militair Operationele Wetenschappen van de NLDA. Kitzen legt de laatste hand aan een proefschrift over counter-insurgency in ‘gefragmenteerde traditionele samenlevingen’, maatschappijen die zijn verdeeld in meerdere etnische groepen en stammen. Daarin trekt hij lessen uit de ervaringen van de Nederlandse krijgsmacht in het koloniale Atjeh en, de afgelopen vier jaar in de Afghaanse provincie Uruzgan. Voor zijn onderzoek ging hij als majoor op missie met Task Force Uruzgan-5. Samen met de inlichtingensectie van TFU-5 bedacht hij een key leader engagement system: stabilisering van een gebied door aansluiting te zoeken bij lokale leiders.

Kitzen schreef in de Militaire Spectator dat westerse strijdmachten grote problemen hebben met counter-insurgency omdat ze zich niet kunnen losmaken van conventionele oorlogsvoering. Een Amerikaanse generaal in Vietnam bracht dit treffend onder woorden: "I will be damned if I will permit the U.S. Army, its institutions, its doctrine and its traditions to be destroyed just to win this lousy war." Is er sindsdien iets veranderd?

Kitzen: “Het wordt beter, maar de basishouding van de militair, zeker de Amerikaanse, is nog steeds "kill". Nederlandse militairen beseffen steeds meer hoe belangrijk het is om burgers te betrekken bij de COIN-operatie en om de bevolking te bedienen. Maar als puntje bij paaltje komt, is vechten nog steeds de kernactiviteit.”

 Terug naar Boven

Snel schakelen

Counter-insurgency stelt hoge eisen aan de militair, want die moet in staat zijn meerdere, complexe taken tegelijk uit te voeren. Op het ene moment zal hij het dorpshoofd moeten ondersteunen, terwijl hij het volgende moment de strijd moet aanbinden met opstandelingen. Hij moet dus heel snel kunnen schakelen tussen ‘helpen, communiceren’ en ‘vechten’. Dat is misschien wel teveel gevraagd van een 18-jarige infanterist. Kitzen: “Een militair is mentaal ingesteld op het ergste, maar hij moet snel kunnen omschakelen naar een lager geweldsniveau en dat is moeilijk. Ik denk dat commandanten dat beter kunnen; zij moeten hun mensen aansturen en onder controle houden. En er zijn lessen getrokken uit vier jaar Uruzgan. Aan cultural awarness wordt nu veel aandacht besteed op de NLDA en de onderofficiersopleiding. Voor gewone soldaten zijn de scenario’s van de oefeningen veranderd. Ze leren niet alleen schuttersputjes graven en aanvallen, maar worden nu al in een vroeg stadium van hun opleiding geconfronteerd met de noden van een burgerbevolking.”

Kitzen heeft zelf wisselende ervaringen in het veld. “We hadden compagniescommandanten die snapten hoe COIN werkt. Zij gingen met hun eenheid tien dagen of langer een gebied in, bouwden een kampje en van daaruit gingen ze de ‘groene zone’ in, het vruchtbare, bewoonde gebied waar naast contact met de burgerbevolking ook regelmatig vuurcontact was met de Taliban. Maar er waren ook eenheden die voetpatrouilles meden. Zodra er contact was met de vijand, werd er geschoten, werd een terugtrekkende beweging gemaakt en luchtsteun aangevraagd. Het ligt sterk aan de leidinggevenden.”

‘Steun zoeken bij de bevolking’, dat is de gulden regel van counter-insurgency. Maar die bevolking bestaat in Afghanistan, en ook in Tsjaad of Soedan, uit een veelheid van groepen en politieke spelers met eigen, heel verschillende agenda’s. Hoe stabiliseer je een omgeving waar diverse tribale groepen en rivaliserende sterke mannen opereren, die allen uit zijn op macht en jou, met je gevechtskracht en middelen, willen gebruiken op rivalen uit te schakelen, bijvoorbeeld door ze voor te stellen als opstandelingen? Kitzen: “Dat is dé vraag op lokaal niveau. Je moet inzicht krijgen in het politieke spel dat wordt gespeeld door verschillende facties. Wil je invloed krijgen en de positie van de juiste mensen versterken, moet je zelf speler worden.”

Dat vereist intelligence van een nieuw type. Kitzen: “In internationale vergelijkingen doet Nederland dit steeds beter. Een van de belangrijkste lessen van zowel Irak als Afghanistan is het belang van informatie over de bevolking. Je wilt weten hoe die is samengesteld, welk politieke spel er gespeeld wordt, hoe de machtsverhoudingen liggen. Daar hebben we gespecialiseerd personeel voor: een externe cultureel adviseur (‘CULAD’; vaak een antropoloog), de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en het inlichtingenbataljon ISTAR, waar ook academici werken. De ‘key leader engagement’ die we in Uruzgan hebben toegepast was een aardig begin, maar als we straks naar een ander gebied gaan, is het van belang dat je al van tevoren nadenkt met wie je zaken wil doen, met wie je dat bewust níét doet en hoe je die laatsten gaat indammen. We kunnen niet volstaan met externe expertise; de krijgsmacht moet die ook zelf ontwikkelen. Er komen nu nieuwe wetenschappelijke disciplines aan de NDLA en steeds meer jonge officieren volgen een aansluitende master-studie aan een universiteit."

Die inspanningen hebben wel degelijk resultaat gehad. De Nederlanders zijn er in geslaagd Uruzgan te stabiliseren door een machtsevenwicht te creëren tussen de verschillende stammen in het gebied en door hun leiders gelijke toegang te geven tot voorzieningen en het streekbestuur. Er is bewust niet uitsluitend gewed op de dominante Popolzai. Dat is de Pashtu-stam van president Karzai en van de machtigste krijgsheer van Uruzgan, Matiullah Khan.

Met die laatste werkten de Nederlanders zo min mogelijk samen. Maar zij waren nog niet vertrokken uit Uruzgan of Amerikanen en Australiërs gingen in zee met Matiullah en begonnen leden van diens privélegertje te trainen. Hun argument: deze man is fel gebeten op de Talibaan. Maar zo raakt het regionale machtsevenwicht verstoord en bestaat de kans dat kleinere stammen in het nauw komen en steun zoeken bij de Taliban.

Deze voor de Nederlands frustrerende ervaring raakt aan een wezenlijk probleem van hedendaagse counter-insurgency: de presentie is maar tijdelijk en het resultaat vergankelijk. Volgens de theorie duurt een COIN-campagne ten minste twaalf jaar – het Britse record in Maleisië. Kitzen: “De huidige westerse horizon is vier jaar, want dan zijn er weer verkiezingen. Maar als je dit werk goed wilt doen, moet je langere tijd in een gebied blijven, anders ben je geen speler meer”.

Een ander probleem is de diverse samenstelling van de troepenmacht. Kitzen: “COIN-theorieën gaan uit van een lineair conflict: hier de opstandelingen, daar de overheid en de militairen, en daartussen de bevolking. Wat je nu ziet is veel diffuser: meerdere landen en verschillende militaire culturen. Het grote voordeel van een internationale troepenmacht is dat je veel manschappen hebt en dat je de lasten kunt delen, wat nodig is voor binnenlands draagvlak. Maar wil je echt verschil maken, dan zou het beter zijn als één land het deed. Maar geen enkel NAVO-lid heeft daar de mensen voor.”

 Terug naar Boven

Burgerdoden

Ja, dat draagvlak. De Britse socioloog Martin Shaw noemt hedendaagse oorlogen risk-transfer wars. De steun aan het thuisfront slinkt naarmate er meer slachtoffers vallen onder de eigen manschappen. Daarom worden de verliezen zoveel mogelijk beperkt, maar dat maakt de kans op burgerslachtoffers groter en zo wordt het risico afgewenteld op de bevolking. ‘Hearts and minds’ win je niet met grote aantallen burgerdoden.

Kitzen: “COIN vereist goed leiderschap. Als je beschoten wordt vanuit een qala [een traditionele Afghaanse compound met hoge muren van leem] kun je die innemen door naar binnen te stormen. Je kunt er ook een 500-ponder [een bom] op laten gooien. Commandanten gaan vaak die quala niet in, omdat ze niet willen dat hun mensen risico’s lopen. Begrijpelijk, maar de betere commandanten nemen, afhankelijk van de omstandigheden, de beslissing om zo’n qala grondig te doorzoeken. Misschien was die gewapende man wel een boer die pissig was omdat jij zonder dat je het door had over zijn irrigatiedijkje liep en die daarom nu zijn geweer greep. Het is tegenwoordig, met alle beschikbare technologie, relatief makkelijk zeggen: ik bombardeer. En op dat punt is internationaal nog niet zoveel geleerd, al zijn er de laatste tijd wel positieve ontwikkelingen in dit opzicht.”

Een van de vele asymmetrieën van counter-insurgency is het verschil in spelregels waar de strijdende partijen zich aan houden. Opstandelingen vinden vaak dat alles geoorloofd is in de strijd met de al dan niet gelovige indringer, terwijl een volkenrechtelijk gemandateerde troepenmacht zich heeft te houden aan de Conventie van Genève en de onderlinge afgesproken rules of engagement.
Kitzen: “Een van de lessen van de COIN-campagnes in Maleisië en Vietnam is deze: laat je nooit verleiden tot wat je tegenstander doet. Maar militairen zijn ook mensen. Het doet wat met je als een baby die jij net hebt geholpen door je tegenstander door zijn hoofdje is geschoten. Dan wil je wraak nemen. Toch moet je je houden aan het internationale humanitaire recht, daar ben ik van overtuigd.”

 Terug naar Boven

Meer dwang

“Daar staat tegenover dat je om het politieke spel effectief te spelen soms hard moet zijn. Wij komen vanuit een postmoderne in een traditionele samenleving, en zaken worden daar soms met meer dwang of geweld opgelost. Wil je een echte speler zijn, dan moet je niet alleen de wortel gebruiken, maar ook de stok. Zo kun je zeggen: ik kom in jou dorp een waterput slaan, maar dan wil ik wel een paar garanties voor de toekomstige samenwerking. Je kunt ook tegen niet coöperatieve leiders zeggen: kijk, hij krijgt een put en jij niet. Dat is een zachte variant van de stok. Maar met sommige spelers zoals krijgsheer Matiullah Khan, moet je niet alleen geen zaken doen, je moet nog verder gaan. Want als Matiullah zijn zin niet kreeg, liet hij gerust ISAF-konvooien overvallen en wees hij naar de Taliban. Op grond van mijn onderzoek concludeer ik dat je zo iemand met meer dwang moet aanpakken en in het uiterste geval beter kunt liquideren. Maar dat mag niet, om humanitaire en juridische redenen.”

Over een Australische commandant in Uruzgan is door coalitiegenoten een zogenoemd blue on blue report, een officiële aanklacht, uitgebracht omdat hij tegen zijn mannen zou hebben gezegd ‘fuck the Geneva Convention’. Kitzen: “Ik denk dat dit bij de Nederlanders niet is gebeurd. Maar de dilemma’s zijn legio. De politiek stuurt je op missie voor een beperkte periode, en daarom ben je voor de bevolking een passant. Vervolgens wordt er verwacht dat je al vanaf dag één een blijvend effect aan wederopbouw sorteert. Maar wil je iets blijvends bereiken voor de bevolking, kun je je niet beperken tot de leuke methoden, maar moet je zo nu en dan ook hard kunnen optreden. Je bereikt je doelen sneller door bepaalde lieden om te leggen, om het maar eens plat te zeggen, maar dan overtreed je je eigen rechtsopvattingen. Ik zie wel mogelijkheden om onder die beperkingen toch je doelen te behalen, maar dan moet je echt langer blijven. Dan moet je zorgen dat de mensen die je een aandeel in de macht geeft ook de middelen hebben om die te houden. Maar is de politiek daartoe bereid; is daar voldoende draagvlak voor? Ik vraag me wel eens af of we dit nog wel kunnen doen.”

 Terug naar Boven

Laatste update:15.05.2012